© foto Joke Schot april 2021

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Fleur (41) uit de Bajonetstraat in het Oude Westen.

Al jaren vroeg ik me af wat er misging rond het woonbeleid in Rotterdam. Ik ben ontzettend blij dat er nu een initiatief is dat met mijn vragen aan de slag gaat en waar ik me bij kan aansluiten.

In de loop van de vele jaren die ik woonde op basis van een tijdelijk huurcontract, zonder enige garantie, behalve de wetenschap dat een grootschalige renovatie ‘nabij’ is, bouwde ik zoveel spanning op, dat mijn werk en inkomen daar onder leden. En ik ben zeker niet de enige die zoiets doormaakt.

Vanuit mijn eigen woononzekerheid ben ik op het idee gekomen om het leed dat door het woonbeleid wordt veroorzaakt breder onder de aandacht brengen. Ik ga op zoek naar mensen die bereid zijn om het verhaal over hun woonstress te delen. Die persoonlijke ervaringen brengen aan het licht hoe pijnlijk de beslissingen van beleidsmakers zijn en hoe diep die ingrijpen in de levens van de mensen die dit leed treft. Publicatie van deze verhalen kan bewustwording stimuleren.

Eind 1998 kwam ik in Rotterdam terecht. Ik was net 19 toen ik de stad leerde kennen, vooral de door mij geliefde westkant van de stad. Een stad wordt natuurlijk gemaakt door de mensen. Ik herkende mezelf in deze mensen. Voor het eerst leerde ik de ware betekenis van het woord thuis. Ik groeide op nabij Tilburg, maar in Rotterdam voel ik me echt thuis. Ook als ze mij wegjagen, blijf ik gewoon Rotterdammer.

Vrij snel vond ik een appartementje in de Willem Buytewechstraat, dat ik deelde met een student. Een oud en scheef pand, met hoog geplaatste ramen waar maar weinig daglicht door binnen viel. Gelukkig kon ik daar op het dak gaan zitten.

Ik ging studeren aan de kunstacademie en kreeg een relatie. Na mijn studie ging ik samenwonen en zegde de huur van mijn appartementje op. Die relatie ging voorbij. Ik kreeg een tijdelijk huurcontract voor een appartementje in de Sleephellingstraat, dat na een half jaar zou worden gerenoveerd. Aansluitend kon ik via Camelot terecht in containers bij een bouwput, waar ik antikraak woonde ter bewaking van het bouwterrein. Ik woonde in het lawaai, had weinig privacy en de voorzieningen waren karig. Toen ze mij daar niet meer nodig hadden, moest ik binnen een week vertrekken.

Via Interveste kon ik antikraak een portiekflatje huren in Lombardije. Daar kreeg ik de kachel niet aan de praat terwijl het sneeuwde. Ik had het vreselijk koud. Een vriendin bood me toen aan dat ik voor een jaartje haar appartement aan de Claes de Vrieselaan kon onderhuren.

Daarna bracht diezelfde vriendin me in contact met een iemand die op dat moment een scheefgezakt monumentaal huisje bij een tennisbaan in Schiebroek op het oog had. Daar mochten we samen in gaan wonen. Opnieuw was dat afzien vanwege de bouwvallige staat van het pandje. Ik werd zwaar verkouden van tocht en kou en logeerde regelmatig bij een vriend.
Aansluitend woonde ik enkele maanden in de Havenstraat, in het appartement van een collega.

Iemand deed mij de suggestie om een bedrijfje te beginnen. Dat bracht me op het idee om een bedrijfsplan te schrijven en bij woningcorporaties aan te kloppen voor bedrijfsruimte waar een woning aan vast zit. Op die manier ben ik in 2010 via Woonstad in de Bajonetstraat terecht gekomen. Ik kreeg een tijdelijk contract met de wetenschap dat ik na enkele jaren zou moeten vertrekken omdat er renovatie op handen was. Bij vertrek zou Woonstad niets voor mij doen. Omdat ik hier maar enkele jaartjes zou gaan wonen, heb ik niet veel aan de woning opgeknapt. Op basis van dat tijdelijke contract woon ik hier nu 11 jaar. Inmiddels zijn er in de Bajonetstraat twee blokken gerenoveerd. Aan het einde van het jaar moet ik hier uit.

Ik zie dat er enorm veel sociale huurwoningen verdwijnen, waardoor het aanbod slinkt en er steeds meer mensen, vaak alleenstaanden, naar een woning zoeken. De druk op de woningmarkt wordt almaar groter en het aanbod in mijn segment wordt kleiner en kleiner. Ik zie gentrificatie. Met al die jaren van continu verhuizen van antikraak naar onderhuur in mijn achterhoofd en omdat het moment waarop ik hier uit moet nadert, bouwde ik steeds meer stress op.

Eind 2018 begon ik last te krijgen van spanningsklachten. Begin 2019 kreeg ik therapie. Dat hielp me wel maar nam de oorzaak niet weg, terwijl mijn zorgen over werk en inkomen steeds meer toenamen.

In de loop van 2019 kwam het zenuwachtige gevoel keihard terug. Ik liep met zenuwen in mijn buik en had huilbuien. Ook op mijn werk ging het niet goed. Aan het einde van het jaar zat ik thuis. Ik vroeg aan Woonstad wanneer de renovatie zou beginnen. Die zou nog zeker een jaar op zich laten wachten.

Ik ga graag overwinteren in warme oorden en vertrok voor drie maanden naar Zuid-Afrika, waar ik heerlijk in de warme oceaan kon duiken. Voor mij een heel goed medicijn voor alles. Als ik straks terugkom is de lente begonnen, gaat het weer goed met mij en heb ik energie om nieuwe dingen op te pakken, was mijn gedachte. Ik zat in het laatste vliegtuig uit Johannesburg, voordat de lockdown daar begon en kwam terug in een verstild Nederland.

2020 was al een paar maanden op weg en ik zat te wachten op bericht van Woonstad. De bewoners van mijn complex was toegezegd dat er in het voorjaar meer duidelijkheid zou worden gegeven over het uitplaatsen. Woonstad is nu in gesprek met de bewoners. In juni krijgen we definitief te horen waar we aan toe zijn. Voor mij is het allerbeste nieuws dat Woonstad mij heeft toegezegd, zwart op wit, dat ze mij dezelfde behandeling geven als mijn buren. Ik krijg net zoveel woningen aanboden als zij en ontvang ook een verhuiskostenvergoeding.

De angst om dakloos te raken is van me afgevallen. Nu is de grote vraag of ik eindelijk mijn eerste echt eigen plekje, een echt thuis zal vinden, of dat ik het moet doen met het volgende hok, waar ik opnieuw op de schopstoel moet zitten en blijven hopen dat ik uiteindelijk een thuis zal vinden. Of kom ik in een woning waarvoor de renovatieplannen al klaarliggen en zit ik over 10 jaar opnieuw in de situatie dat ik word uitgeplaatst en weer opnieuw moet beginnen. Dat wil ik echt nooit meer. Soms denk ik dan: “jongens op de Coolsingel, hartstikke leuk die projectontwikkelaars die jullie penthouses laten bouwen voor mensen met centen, maar daardoor zijn er andere mensen die overspannen raken door de woonstress en hun baan verliezen.

Je ziet dat ik heb geprobeerd om het hier gezellig en eigen te maken, maar als de zon schijnt en het buiten warm is, kom ik hier altijd terug in mijn koude en donkere hok. Ik heb hier nog geen dag gewoond zonder onzekerheid en het gevoel dat ik een thuis wil. Ondertussen ben ik continue aan het dromen over zo’n interbellum appartementje met ramen voor en achter, zodat ik ruimte heb voor planten, hopelijk met een zonnig balkon op het westen. Dan kan ik het echt naar mijn zin gaan maken.

Toen ik in bij de tennisbaan woonde, fantaseerde ik vaak over mijn eigen plekje. Zodra ik dat zou vinden, zou ik mijn thuis gaan delen met een grijze kat die ik Moos zou noemen. Toen ik in de Bajonetstraat ging wonen, ben ik naar de Stichting Zwerfkat gegaan en vond ik Moos, een piepjonge grijze kater.

Mijn thuis is waar Moos mij spinnend kopjes geeft en waar ik met vrienden aan mijn leeftafel zit, om soep te eten en gezellig te ouwehoeren.

© foto Joke Schot april 2021

Fleur Bergman heeft zich in maart aangesloten bij Recht op de Stad.

© Roland Huguenin april 2021