Het betere plan voor wonen in Rotterdam

Categorie: Verhalen van Rotterdammers Pagina 2 van 3

Monique: “Mijn koers dreigt op losse schroeven te komen staan”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Monique (46) uit Hillegersberg-Zuid.

© foto Joke Schot mei 2021


Zodra je het viaduct over de A20 bent gepasseerd, rijdt je via de Rozenlaan een authentieke jaren 30 wijk binnen. De bebouwing oogt vriendelijk en uitnodigend, maar maakt ook een verwaarloosde indruk. De tand des tijds stelt de houdbaarheid van veel woningen danig op de proef. Het lijdt geen twijfel dat mensen zich prettig voelen in deze fraai ontworpen woonwijk. Wel rijst de vraag waarom een buurt met zo’n grote cultuurhistorische attractiviteit staat weg te kwijnen. It all happens. In Rotterdam.

Heel lang had ik geen vaste woon- of verblijfplaats. Dat was een bewuste keuze. Op mijn 21e werd ik ernstig ziek en moest ik wekelijks worden gedialyseerd. Daardoor had ik zeer beperkte bewegingsvrijheid. Dat duurde vier jaar. Toen die periode voorbij was besloot ik om van mijn herwonnen vrijheid te gaan genieten. Her en der paste ik op huizen en in de tussentijd ging ik op reis. Zo woonde ik in diverse steden en heb ik de halve wereld gezien.

Sinds 2013 huur ik woonruimte in deze buurt. Tot dit jaar deelde ik in de Orchideestraat een woning met twee andere vrouwen. Zij maakten deel uit van mijn huiselijk verkeer. Het contact met hen was goed hoor, maar ik woonde dus niet zelfstandig. Eerst woonde ik op de benedenetage. Later schoof ik door naar de zolderetage. Voor een ruimte van 35 m2 betaalde ik 630 euro, inclusief energiekosten. Het was het meest aftandse pand in deze buurt.

Om de huurbescherming te omzeilen, hanteerde de particuliere eigenaar een slimme constructie. Bij het sluiten van het huurcontract liet hij mij gelijktijdig een huurontbindingsovereenkomst tekenen. Jaarlijks moest ik een nieuwe ontbindingsovereenkomst komen tekenen. Steeds gaf ik aan dat het naar mijn idee onrechtmatig was om jaarlijks te tekenen voor ontbinding. Ook gaf ik aan dat de huur erg hoog was, voor een huis waarin je de voorzieningen moet delen. “Dan ga je toch ergens anders wonen” was steevast zijn antwoord. Maar dat was natuurlijk niet zo gemakkelijk.

Bijna zeven jaar ging het goed. In het zevende jaar bleek het huis te zijn verkocht binnen de termijn die was vastgelegd in de ontbindingsovereenkomst en moesten we het huis op korte termijn verlaten. Door de stress belandde ik in een burn-out. De nieuwe eigenaar besloot om het hele pand, waaraan vele jaren geen onderhoud was gepleegd, te strippen en te renoveren. Het wordt verbouwd tot een ruime gezinswoning. Als het klaar is wordt het waarschijnlijk voor veel geld doorverkocht of verhuurd.

Via een tussenpersoon kan ik tot het eind van het jaar dit huis in de Gladiolusstraat huren. Gelukkig is deze woning wat groter en ik woon hier zelfstandig. Omdat ik hier maar een jaar kan blijven wonen, ben ik gematst met de huur. Ik betaal ik 550 in plaats van 750 euro. Daar ben ik wel happy mee.

Ik onderzocht of het mogelijk was om in deze buurt een huis te kopen. In 2017 waren de huizen nog enigszins betaalbaar. Via een makelaar had ik al een huis op het oog, maar door gezondheidsproblemen moest ik noodgedwongen afzien van de koop. Twee jaar later waren de huizenprijzen zo’n beetje verdubbeld. Dat maakte het voor mij onmogelijk om nog iets te kunnen kopen. Je moet maar accepteren dat de prijzen zo bizar zijn gestegen. Ik snap het gewoon niet.

Dit is een leuke, sfeervolle buurt. Je moet wel incalculeren dat veel huizen kampen met riolerings- en funderingsproblemen. Bij de meeste woningen moet er binnen tien jaar tussen de 50.000 en 80.000 euro worden geïnvesteerd om dat te verhelpen.

Ik zoek veel op internet. Ook sociale huur, maar ondanks twee jaar inschrijftijd, kom ik altijd ver boven de 300-ste plaats van de 1000-zoveel reacties. Mijn baan en de yogaschool zijn hier in de buurt. Ik wil dus niet op Zuid gaan wonen, waardoor ik gedwongen zou zijn om dagelijks een uur door de uitlaatgassen te moeten fietsen.

Als ergotherapeut verdien ik een goed salaris, maar wonen in Rotterdam kan ik daar niet meer van betalen. Het zou wel kunnen… maar dan moet ik meer dan de helft van mijn salaris in woonlasten steken. Dat wil ik niet, ook niet vanwege de stress die ik dan krijg over het inpassen van de andere vaste kosten.
Vorig jaar had ik me er al op ingesteld dat ik dakloos zou worden. Dat kan zomaar gebeuren, want je krijgt alleen urgentie op basis van sociale- of medische redenen.

Wetenschappelijk is aangetoond dat mensen die niet gebukt gaan onder te zware financiële lasten, of vergelijkbare stressfactoren, veel meer mentale ruimte overhouden om iets bij te dragen op sociaal-maatschappelijk gebied.

Toen ik een leuke baan bij Rijndam had gevonden, besloot ik om in Rotterdam te blijven. Naast mijn baan ben ik yogaleraar. Op basis van leegstandsbeheer [antikraak] is de yogaschool is gevestigd in een oud pand in Crooswijk, waar buurtwerk wordt gedaan. Ik werk daar ook met ouderen. Voor hen is Yoga een vervullende bezigheid.
Met een groep mensen hebben we geprobeerd om in dat pand een wooncoöperatie te realiseren. Dat is helaas niet gelukt. Rotterdam biedt straks geen plek meer voor dit soort initiatieven. Als wij daar weggaan is er niets meer. Chantal Zeegers van D66 is een keer bij ons langs geweest en zou dit soort oude gebouwen heel graag voor de stad bewaard zien. De gemeente gooit alles in de verkoop en gaat voor de hoogste prijs.

Mijn koers dreigt  op losse schroeven te komen staan. In Rotterdam lijkt alles te stoppen. Dat drukt ook op het plezier dat ik aan mijn werk beleef. Ik neig er steeds meer naar om de stad te verlaten.

Twee jaar geleden had ik met Pepijn nog discussies over onze gezamenlijke woonplaats. Ik moest er echt niet aan denken om mijn baan op te geven en naar Almere te vertrekken. Pepijn durfde de stap niet aan om daar zijn koophuis op te geven en ten koste van minder wooncomfort en woonruimte naar Rotterdam te komen. We besloten te blijven latten. In Almere besef ik weer wat schone buitenlucht is.

Via ons eigen wooncoöperatieproject raakten we aangesloten bij VrijCoop. Zo kwamen we op het spoor van Ecodorp Boekel. Toen we op de bouwkavel waren rondgeleid, stelden we onszelf de vraag: “Wat doen we eigenlijk nog in Rotterdam?” Daar stelt de gemeente zich wel open voor burgerinitiatieven en lukt het wel om een wooncoöperatie op te zetten.

In Boekel wordt de VrijCoop-constructie gehanteerd, zodat er niet kan worden gespeculeerd met de woningen. Je wordt mede-eigenaar binnen een vastgoed- en bewonersvereniging en huurt van de vastgoedvereniging, dus deels ook van jezelf. Niemand van de 36 bewoners kan straks besluiten om zijn huis met forse winst te verkopen.

De huizen in het ecodorp worden duurzaam, klimaatneutraal en zelfvoorzienend. Super innovatief. Daar hebben we behoefte aan in Nederland. Ook in Rotterdam. Hier vindt de gemeente hoge huizenprijzen belangrijker dan duurzame woningen, een gezond leefmilieu en leuke ondernemende Rotterdammers. De stad heeft het zó nodig dat mensen in verbinding staan en op coöperatieve basis dingen met elkaar kunnen aangaan.

In de voorjaarsvakantie zijn we opnieuw in Boekel geweest. Ik merkte dat mijn hele systeem daar werd gereset. We onderzoeken nu of we mee willen doen bij het opzetten van dit project. Naar Boekel verhuizen kan voor mij ook een manier zijn om mijn footprint te verkleinen. Binnenkort beslissen we.

Ik moet veel loslaten als ik hier vertrek, met pijn in het hart, maar ik maak liever een bewuste keuze dan te worden gedwongen tot stappen die het systeem mij oplegt. De vrijheid die ik terugkrijg is veel beter voor mijn gezondheid dan al die stress en onzekerheid.

Je ziet wel dat er iets begint te schuiven in de politiek, maar het gaat te langzaam. Veranderingen zijn nú hard nodig, als we nog op een prettige manier met z’n allen op deze aarde willen blijven leven.

© Roland Huguenin mei 2021

Vera (44): “Ik dacht dat ik stikte”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer het verhaal van Vera in het HKT-blok.

(Foto: Joke Schot)

“Zes jaar inschrijfduur had ik toen mijn vriend en ik uit elkaar gingen. Nog zes jaar woonde ik vervolgens antikraak. Zo lang moest ik inschrijfduur opbouwen om aan een fijne woning te komen. Twee met Trespa en verlaagde plafonds verknalde woningen wees ik af voordat een mij een thuisgevoel gaf. Dat gebeurde hier, bij dat glas in lood. De schuifdeuren vond ik een verdieping hoger en deze lambrisering achter wat plaatwerk. Ik klus graag en heb die mooie, karakteristieke stijl teruggebracht. Dat was negen jaar geleden. Ik werkte in het onderwijs; tot zeven jaar geleden, toen ik met een burn-out de Ziektewet inging. Nu leef ik van een bijstandsuitkering.” 

“Twee jaar geleden meldde ik me aan voor een klankbordgroep van bewoners. Ik dacht mee te mogen denken over zaken als dubbel glas. In plaats daarvan werden we in de eerste bijeenkomst voor een voldongen feit gesteld. Het HKT-blok zal een renovatie ondergaan. Dat betekent de sloop van alles behalve de voorgevel en nieuwbouw van kleine appartementen daarachter. Sindsdien ben ik volleerd geraakt in alles op woongebied, als actief lid van de bewonerscommissie. Die heeft in gesprek met Vestia enige verbetering in de situatie gebracht, onder andere door een recht op terugkeer te bedingen. Hopelijk leert Vestia van de geschiedenis met ons voor de toekomst. Mijn boosheid is verschoven van de woningcorporatie naar de politiek.” 

“Die ruimte daar heb ik pas vrijgemaakt om weer te gaan schilderen. Terwijl ik hier nog woon, wil ik ervan genieten. De kans dat ik in een woning die een thuis kan zijn terechtkom, is klein. Lange tijd dacht ik in het blok terug te keren, maar gaandeweg werd me duidelijk wat dat inhoudt. Tijdelijk wonen trek ik niet meer. Ik wil niet twee keer verhuizen. Ik wil niet wonen aan de andere kant van het blok zoals Vestia voorstelt, aan een smalle straat met een donker balkon. Ik wil ook niet een fijne woning waaruit ik weer moet vertrekken zodra die wordt voorzien van een hoger energielabel voor rijkere bewoners. Ik wil zo graag een keus waarop ik straks in de beperkte periode met urgentie of vervolgens drie maanden met woonbemiddeling bijna geen kans maak, een die geen verslechtering van mijn situatie betekent. Ik wil rust! Ondertussen heb ik nog niet één keer een penseel opgepakt.” 

“Ik heb het gevoel dat Rotterdam me niet wil, er niet bij te horen. Zelf ergens een tiny house bouwen, is met de huidige bestemmingsplannen geen duurzame oplossing. Voor een renovatie die de bewoners hier graag willen zonder vernietiging van kapitaal en erfgoed is geen budget, maar ondertussen krijgt de directeur van Vestia heel veel geld. Tijdelijke verhuur kan woningnood niet oplossen. Mensen worden daar psychisch ziek van. Daarmee kunnen ze geen levensplannen maken. Ze hebben een thuis nodig, een plek om zich veilig te voelen. Volgens mij is het de hoogste tijd dat heel hurend Nederland in actie komt, de straat op gaat. Misschien hoor ik bij een onzichtbare groep mensen nu ik vaak apathisch ben.” 

“Iedereen kent de term ‘haves & have nots. Ik zeg: “can do & can not do”. Het huidige beleid maakt dat mensen die niks hebben ook niks kunnen. Niemand die druk is met een basisvoorwaarde om te overleven, wat een thuis is, komt toe aan leven. In wat voor land leven we als we denken dat dit systeem normaal is? De opgelegde verhuizing heeft me enorme spanningsklachten bezorgd. Ik heb vaak pijn in mijn nek en heb ook aanvallen van hyperventilatie gehad. Van een werd ik ‘s nachts wakker. Ik dacht dat ik stikte en belde 112. Toen de arts vroeg naar spanning in mijn leven, begreep ik de oorzaak. Die kan geen dokter wegnemen.” 

“Natuurlijk moet ik door. Ik lever een overlevingsstrijd. En de onderhandelingen met Vestia over het sociaal plan gaan door. Corona vertraagt het proces. Dat ik hier zodoende wat langer kan wonen is enerzijds fijn, maar anderzijds leef ik zo langer in onzekerheid. Zodra het plan door iedereen is ondertekend, kan de sloop beginnen. Ik zou graag in de koude, Noorse natuur zijn, maar misschien meld ik me aan bij Recht op de stad.” 

Helmuth (77): “Mijn zinnen verzet ik met mijn foto’s”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer het verhaal van Helmuth in Pompenburg.

(Foto: Joke Schot)

“Twaalf jaar geleden zochten mijn vrouw en ik een mooie, laatste woning. We waren samen zes keer verhuisd, waarvan twee keer wegens een renovatie. Veel woningen bezochten we. In deze voelden we ons direct fijn. Het uitzicht is geweldig en een vorige bewoner had een mooie keuken achtergelaten. Wij hebben een parketvloer toegevoegd, perfect voor de kat. Ondertussen zijn mijn vrouw en de kat overleden, maar ik woon hier nog steeds heel graag met leuke buren uit allerlei culturen. Met plezier zet ik me maatschappelijk in. Zo doe ik op mijn balkon mee aan een onderzoek door de luchtkwaliteit te meten en heb ik subsidie geregeld voor gezellige samenkomsten van bewoners in de binnentuin. Nu we ons hebben verenigd tegen de sloop van Pompenburg, maak ik bij de bijeenkomsten foto’s.” 

“Via Facebook kreeg ik vorig jaar het bericht over de sloop. Daar schrok ik flink van. Meteen begon ik een gesprek met een buurvrouw. Met nog wat andere buren zijn we lawaai gaan maken, want als de zaak voor de rechter komt moet die niet kunnen zeggen dat we niets hebben gedaan. Eens in de twee weken komen we bijeen. Binnenkort kunnen we inspreken voor de commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte. Ik wil me daar ook voor opgeven. Wat ik ga zeggen weet ik nog niet, maar ik zal vooral de stress die een verhuizing me bezorgd benadrukken.” 

“Sinds ik weet van de sloopplannen, heb ik kopzorgen. Een paar maanden geleden heb ik een dag in het ziekenhuis doorgebracht vanwege pijn in mijn borst. Waarschijnlijk kwam die door de spanning. Als ik de kasten met boeken en tijdschriften om me heen zie, denk ik aan alle rompslomp om die uit elkaar te halen en de moeilijke keuzes die ik zal moeten maken over wat weg moet. De uitkomst van een simpele rekensom op basis van de nieuwbouwplannen is dat de nieuwe appartementen kleiner zullen zijn dan deze, dus kan ik niet alles houden. Eigenlijk zie ik hier terugkomen sowieso niet zitten. Ik woon in het gedeelte waarvan de bewoners eerst naar een wisselwoning moeten. Liever dan twee keer verhuizen, ga ik naar Drenthe, ondanks dat ik een echte Rotterdammer ben. Mijn zinnen verzet ik met mijn foto’s. Ik ben bezig mijn hele negatievenarchief te scannen voor het gemeentearchief en in september is de presentatie van mijn boek Mens in Rotterdam in Donner.” 

“Dat ik geen zin heb om te verhuizen, is niet de enige reden waarom ik tegen sloop ben. Nog niet zo lang geleden zijn de ramen en het ventilatiesysteem opgeknapt. Het gebouw verkeert in heel goede staat. Sloop is dus kapitaalvernietiging. Bovendien gaat door de geplande nieuwbouw de WOZ-waarde omhoog. Havensteder zal de huurprijzen behouden, maar de hogere belasting zal hier wonen duurder maken. En dat dus voor kleinere woningen.” 

“Wethouder Kurvers wil zo veel mogelijk woningen. In de nieuwe torens wil hij daarom zelfs ‘woningen’ van maar dertig vierkante meter. Dat hij de Parkhaven volgebouwd wil, is trouwens schandalig. Van de drie torens die hij hier wil laten herrijzen, moeten twee woningen in het dure segment bevatten. Die worden minder aantrekkelijk dan hij denkt, door te veel uitlaatgassen en wind. Voor aanvang van de bouw wordt slechts een globale windberekening gemaakt. Die zal tijdens de bouw te rooskleurig blijken, maar dan is het te laat.” 

“In de wethouder heb ik geen vertrouwen, maar in Havensteder wel. De corporatie lijkt een afwachtende houding te hebben. Volgens mij wil zij ook niet dat Pompenburg wordt gesloopt. Ik heb dus nog hoop. De kans dat de plannen niet doorgaan, schat ik op vijftig procent.” 

Nel: “De afgelopen veertien jaar heb ik bij mijn vriendin in Hoogvliet gedoucht”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Nel (67) uit de Veldstraat.

© foto Joke Schot april 2021

Op 13 april berichtte AD dat de laatste bewoners uit de Veldstraat in verzet komen tegen de sloop van hun koophuizen. De huizen zijn oud, maar verkeren in goede staat. De uitkoopsom is niet toereikend om elders in de buurt een vergelijkbaar huis te kunnen kopen, terwijl deze bewoners keurig passen binnen het NPRZ-beleid dat stuurt op gemengde buurten die plaats bieden aan stijgers op de woningmarkt. Deze eigenaren gingen bij de Raad van State in beroep tegen het bestemmingsplan dat 14 huur- en koopwoningen in het sociale segment vervangt door 11 grotere woningen in de vrije sector middenhuur. De gemeente en woningcorporatie Havensteder willen niet dat er eigen bezit terugkeert op deze plek.

Recht op de stad nam poolshoogte in de Veldstraat en maakte kennis met Nel, die het grootste deel van haar leven in dit deel van de straat heeft gewoond, in een sociale huurwoning uit 1913, die tot op de laatste draad is versleten. Wie haar huis betreedt komt in een realiteit die ettelijke decennia achterloopt bij de hedendaagse normen. In bouwkundig opzicht balanceert het pand op de grens van bewoonbaarheid. Gezien door de bril van deze tijd, roept het associaties op met de vooroorlogse Zandstraat. Het verval wordt fraai gecamoufleerd door de decoratieve inrichting van het huis.

De sfeervolle achtertuin, ingeklemd tussen muren en schuttingen, is ingericht met een terras, borders en een gezellig zitje. De bodem is bedekt met een betonvloer, die in het verleden is aangelegd voor de opslag van een loodgieter. Een deel van de omgeving is zwaar verwaarloosd. Aangrenzende achtergevels zijn vervallen. De verzakking is duidelijk te zien. De bomen en struiken zijn al lange tijd niet meer onderhouden. Vooral duiven bevolken deze desolate arena.

Het is al 30 jaar bekend dat ze dit rijtje gaan slopen, want renoveren is allang geen doen meer. De boel is verzakt waardoor de muren zijn gescheurd en de ramen niet meer open kunnen. Havensteder zat in de maag met enkele particuliere eigenaren die hier willen blijven wonen. Daarom heeft het zo lang geduurd. De overige bewoners zijn allemaal weg.

Ik ben geboren in Bloemhof. Tot mijn 22-ste jaar woonde ik in de Eerste Balsemienstraat en de Egelantierstraat. Dat waren kleine huizen. Toen ik uit huis ging woonde ik een tijdje op kamers. Daarna kreeg ik een bovenwoning in Hillesluis, met twee huishoudens op een trap. Deze woning in de Veldstraat heb ik in 1983 gekregen via mijn hartsvriendin, die hier op de eerste etage woonde.

Toen ik hier kwam waren deze woningen in bezit van de Gemeentelijke Woningstichting. Havensteder nam het over en had al direct plannen om te gaan slopen, maar daar was geen geld voor. In al die jaren is er niets meer aan deze woning gedaan. Voor reparaties hadden ze geen geld over.

Twintig jaar geleden is mijn vriendin naar Hoogvliet verhuisd. Haar woning werd antikraak en daarna nog een tijdje ingezet voor begeleid wonen. Nu staat het al vijftien jaar leeg. De woning hiernaast was ook antikraak. Een tijdlang woonden er verpleegsters. Daarna een stel dat voortdurend slaande ruzie had. Die zijn er uitgezet. Daarnaast woont nu nog steeds iemand antikraak. Dan zijn er nog die koopwoningen en de rest staat leeg. Directe buren heb ik al jaren niet meer.

Drie jaar geleden is de dakkapel kapot gewaaid en ontstond er een enorme lekkage. In de gang stroomde het water langs de muren naar beneden en nam het een deel van het behang mee. Het ziet er niet uit. Het zeiltje dat door Havensteder op het dak werd geplaatst hielp niet. Daarna hebben mijn overburen de boel beter ingepakt.

De bovenwoningen kampen al heel lang met vochtproblemen. De achtergevels zijn poreus waardoor het vocht door de muren heen sloeg en er zich veel schimmel ging vormen. Om die reden zijn de meeste bewoners al zo’n twintig jaar geleden vertrokken. De tegelwand in mijn douche lekte waardoor de muur en de vloer eronder helemaal zijn weggerot. Het water liep zo de gang in. De afgelopen veertien jaar heb ik bij mijn vriendin in Hoogvliet gedoucht.

Vroeger was dit huis ‘voor-tussen-achter’ met een piepklein keukentje en woonde hier een gezin met 10 kinderen. Hoe konden die mensen zo leven. Later is het verbouwd tot twee kamers en werd de keuken uitgebouwd. De kamers zijn nog geen drie meter breed. In de slaapkamer kan ik mijn kont bijna niet keren. Ik heb hier altijd alleen gewoond. Als je hier met z’n tweeën zou zitten wist je niet meer waar je je spullen moest laten. Dit huis is ook te klein om veel visite te ontvangen.

Vroeger woonde ik hier plezierig, maar ook de buurt is achteruit gegaan. Als je ziet wat een zooitje er op de Strevelsweg zit. Vroeger was dat echt een nette buurt. Nu is het verpauperd. Behalve dat de stoep voor mijn deur dagelijks is bezaaid met afval, is er weinig overlast.

Een vroegere buurman kreeg een huurverlaging. Die heb ik toen ook aangevraagd, maar daar moest ik erg lang op wachten. Uiteindelijk  kreeg ik die korting veertien jaar geleden via de huurcommissie wel en werd mijn huur gehalveerd tot 100 euro.

Tien jaar geleden kwam Havensteder met het verhaal dat de sloop nu echt naderbij kwam. Er werd me een woning aangeboden in een ouderencomplex. Daar had ik helemaal geen zin in. Toen kreeg ik een urgentieverklaring, maar met de sociale uitkering die ik ontving, kon ik alleen reageren op woningen tot 590 euro. Onder dat bedrag kon ik niets vinden. Sinds vorig jaar ontvang ik AOW en kan ik tot 633 euro gaan, maar ook daar krijg je bijna geen woning voor.

Iedere dag bekijk ik het aanbod, maar dat is heel weinig en de meeste huren zijn te hoog. Ik heb dan wel een urgentie, maar ja… Hopelijk verandert dat als de corona voorbij is. Het is fijn dat ik een verhuisvergoeding ontvang. Daar heb ik op gewacht. Hopelijk vind ik een benedenwoning of een flat met een ruim balkon.

Ik vertrek hier vrijwillig en wil hier echt graag weg. Dit is een heel koud huis. Voor de winter hoop ik weg te zijn. Aan de kant van Poortugaal en Hoogvliet zitten al mijn vrienden en kennissen. Hopelijk vind ik een driekamerwoning, zodat ik een kamertje heb om kleding te maken. Mijn huis staat vol met spullen voor mijn nieuwe huis.

De huizen aan de overkant van de straat zijn twintig jaar geleden gesloopt. Dat terrein raakte overwoekerd met onkruid. Op een gegeven moment maakte Havensteder daar een tuin. Daar kon je in als het hek open was, maar dat hek was bijna nooit open en dat tuintje kon je alleen bereiken via een soort oerwoud.

Drie jaar geleden zijn er wat geveltuintjes aangelegd en op de ramen van leegstaande huizen zijn fotopanelen geplaatst om de boel hier nog een beetje leefbaar te laten lijken.

In vroeger jaren was dit een gezellig buurtje. Zomers zaten we allemaal buiten en speelden de kinderen met water. Nu ben ik nog de enige die buiten zit. In de zomer zit ik een groot deel van de dag in mijn achtertuin. Verder zie je geen mens. Het heeft te lang geduurd.

© Roland Huguenin april 2021

© foto Roland Huguenin april 2021

Robin (54): “Ik laat me niet wegschofferen!”

(Foto: Joke Schot)

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer het verhaal van Robin uit Gerdesia-Midden.

“De brief begint met ‘Zoals je weet zijn deze huizen in slechte staat.’ Dat is misleiding, heel sneaky, want zoals ík weet zijn deze huizen helemaal niet in slechte staat. Ik heb het hier al tien jaar prima naar m’n zin. Ik heb het niet koud, want er is geen tocht. Er is wat gehorigheid, ja, maar dat hebben alle huizen. De ruimte is heerlijk. Behalve wonen, kan ik hier schilderen en muziek maken. Zoveel vierkante meters zal ik met mijn budget niet meer krijgen. Hoe kan ik werken als ik alleen maar een woonkamer, een slaapkamer, een keukentje en een douche heb? Als Kralinger wil ik niet naar een andere buurt. De woningschaarste is nu enorm, dus ik vraag me af waar ik naartoe moet. Ík wil beslissen wanneer ik wegga. Ik laat me niet wegschofferen!” 

“Eind juli, precies als iedereen net op vakantie is, kreeg ik die brief onder ogen. ‘Oh shit!’, dacht ik. Ik heb direct een keiharde, sterke e-mail naar Woonstad gestuurd en vervolgens gebeld om te zeggen hoe pissed off ik ben. In dat gesprek vertelde de projectleidster me dat ze hier nog nooit is geweest … Wat?! Daarna ben ik me flink in gaan lezen en aantekeningen gaan maken over wat de regels zijn. Ondertussen ben ik samen met een bevriende schrijver bezig aan een brief. Daar komt ieder detail dat niet klopt, alles wat sinds juli mis is gegaan, in te staan. Het wordt een heel lange brief die ik behalve aan Woonstad ook aan justitie en de media zal sturen.” 

“Woonstad schreef onderzoek te hebben gedaan. Vanaf het begin heb ik gevraagd om dat onderzoek en de klachten te zien, maar daar heb ik nog steeds geen antwoord op gekregen. Volgens de nieuwsbrief van september was een beslissing nog niet genomen, maar medewerkers van Woonstad hadden aan de gebiedscommissie toen al doorgegeven te gaan slopen. Toen ik dat hoorde, was ik even in een zwarte wolk. In de brief van januari staat wat Woonstad allemaal niet heeft gedaan, zoals schilderen. De lijst van dingen die niet zijn gedaan maar juist wel hadden moeten gebeuren is lang. Achterstallig onderhoud – dat doet Woonstad expres – is wat anders dan een slechte staat. In de brief van maart staat: ‘Wij hebben meerdere keren geprobeerd om met de bewonerscommissie in gesprek te komen. Dat is niet gelukt.’ Wíj hebben vaak geprobeerd contact te maken, maar de projectleidster kwam niet opdagen toen we een afspraak hadden waarvoor mensen vrij hadden genomen. Het is dus precies andersom. De corporatie beweert dat het dak lekt, maar het dak is prima.” 

“Bij herlezing van de brieven draait mijn maag zich om. De communicatie gaat op zo’n schofterige manier. Nagenoeg alles is gebaseerd op leugens. Veel mensen voelen zich er machteloos tegenover. Ik kom voor mezelf op. Gelukkig heb ik Pentjak Silat gedaan en gebokst, dus heb ik geleerd goed adem te halen en te ontspannen. En ik kan schrijven. Al twintig jaar houd ik een dagboek bij waarin ik dingen van me af kan schrijven. Bovendien is leuke muziek en schilderijen maken tien keer belangrijker dan de strijd met de wooncorporatie.” 

“Volgens de planning van Woonstad eindigt de uitverhuizing in 2024. De corporatie doet alsof dat definitief is, maar dat is het niet. Vooralsnog hebben we geen peildatum gekregen. Die moeten we op tijd krijgen om tegen sloop in beroep te gaan. Deze hele zaak gaat voor de rechter komen. Die sloop gaat niet gebeuren!” 

Jan: “We leven hier toch niet in Rusland?”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Jan (59) uit Wielewaal.

Toen mijn ouders noodgedwongen moesten stoppen met varen op de binnenvaart en voorgoed aan wal gingen, zijn ze met 11 kinderen in Wielewaal gaan wonen. De laatste twee kinderen zijn in dit huis geboren, waaronder ikzelf als de allerjongste.

Tuindorp Wielewaal was een geweldige wijk om in op te groeien. Er woonden heel veel kinderen. Vanaf het moment dat ik kon lopen speelde ik buiten. Mijn vader was jarenlang vrijwilliger bij de speeltuinvereniging naast ons huis. Daar was ik heel vaak te vinden. Voor de jeugd was er elke woensdag en zaterdag wel iets te doen in de wijk. Er werden allerlei wedstrijden georganiseerd zoals rolschaatsen, wielrennen en rolschaatsijshockey op het basketbalveldje.

Nadat mijn vader was overleden en al mijn broers en zussen het huis uit waren, ben ik bij mijn moeder blijven wonen. Er was genoeg ruimte. Toen zij kleiner ging wonen kon ik in dit huis blijven. Riene trok bij mij in en we kregen drie kinderen. De vader van Riene heeft een jaar bij ons ingewoond, inclusief een half jaar palliatieve zorg.
Mijn dochter is student geneeskunde. Omdat er geen betaalbare woonruimte beschikbaar is, woont zij noodgedwongen antikraak in Wielewaal. Ook mijn jongste zoon is op zoek naar een eigen plekje, maar met de huidige woningnood is dat niet gemakkelijk.

Na jarenlang te hebben gehuurd, kon ik dit huis kopen. Dat deed ik vanuit de gedachte dat ik hier oud zou gaan worden. Voor mij is het wrang dat er vijf jaar later plannen werden gemaakt voor een grootschalige herstructurering van deze wijk.

Er werden inspraaksessies voor de bewoners georganiseerd. Ik had er het volste vertrouwen in dat er naar onze wensen zou worden geluisterd. Wij kregen alle ruimte om onze ideeën te uiten, maar die werden niet opgepakt en kwamen nooit in de plannen terecht. Er werd meebewogen zonder dat er werd meegegaan.

Uiteindelijk kwam het afschuwelijke plan op tafel om de wijk te maken zoals Woonstad en de gemeente dat nu voor ogen staat. De wijk wordt volgepropt met huur- en koopwoningen in het midden- en hoge segment. Het sociale huur- en koopsegment speelt daarin nauwelijks een rol van betekenis. Dat vind ik zo laag.

Ik ben heel erg kwaad geworden. Vanuit die woede ben ik in verzet gekomen, met de vraag of het tij nog kon worden gekeerd. Samen met buurtgenoot Wil de Ben heb ik een eigen nieuwbouwplan bedacht. Daarbij hebben wij de hulp ingeroepen van adviseurs op het gebied van ontwerp, bouw, financiering en recht. De leden van dat expertteam zijn zich zeer betrokken gaan voelen bij de realisatie van ons eigen nieuwbouwplan, omdat zij weten dat het goed en vooruitstrevend is.

Het plan ligt al acht jaar op de plank. Het is uitvoerig beschreven in een bidbook. Recentelijk is er ook een prachtige brochure* gemaakt. Het interessante van ons plan is dat daar vernieuwende concepten als fabrieksmatige prefab-bouw en de zelfsturende wooncoöperatie als beheervorm in zijn doorgevoerd.

De gemeente en de corporatie willen er niet naar kijken. Het enige commentaar dat ons informeel ter ore kwam, is dat het plan onhaalbaar en te duur is. Inmiddels is bekend dat een corporatie in Zeeland een nieuwbouwplan uitrolt dat sterk op het onze lijkt.

Het gaat niet om haalbaarheid. Alles draait om winstmaximalisatie: hoe kun je snel heel veel geld verdienen. Gemeente, corporaties, ontwikkelaars en bouwers vormen een ondoordringbaar bastion. Zij bepalen alles. Terwijl de overheid coöperatieve woonvormen al jaren probeert te stimuleren.

Fabrieksmatige huizenbouw heeft enorm veel voordelen. Bouwbedrijven staan klaar om productiehallen operationeel te maken. Maak een pilotproject van Wielewaal en laat deze wijk een voorbeeld zijn voor heel Nederland. Dan kan het bouwproces heel snel gaan.

“Voorwaarde is natuurlijk wel dat je met elkaar in gesprek gaat en dat de ideeën van bewoners worden meegenomen in de afwegingen.”

Op dit moment is er een schijn-democratie. Bewoners worden buitengesloten. Er is nul inspraak. De gemeente en corporaties maken onderhands geheime afspraken met elkaar en kunnen doen wat ze willen. Leugens regeren. Als die vaak genoeg worden herhaald, kunnen ze doorgaan voor waarheid.

Hoe het met ons verder gaat hangt af van de rechtszaken die de Unie van en voor de Wielewaalers heeft aangespannen tegen de gemeente. Bij definitieve goedkeuring van het bestemmingsplan moet ik hier over anderhalf jaar weg zijn. Als er geen goedkeuring komt, moet iedereen weer aan tafel. Ik weet niet wat dan de vervolgstappen zijn. En dat weet niemand.

Daarnaast zijn wij in cassatie gegaan. Ook daarin moet er nog een uitspraak komen. Er ligt nu wel een onderzoeksrapport over de illegale verkoop van het grondgebied. Gezien de nieuwe woningwet van 2015 had de woningcorporatie de huizen moeten aanbieden aan de bewoners. Dat is niet gebeurd. Gesloopte of deels vernielde woningen kun je niet meer verkopen en dan sta je kennelijk in je recht om de grond voor heel veel geld te verkopen aan een projectontwikkelaar.

Onze advocaat zegt dat ze blijven proberen om onze rechten te verdoezelen. Het zijn de grote jongens met geld en macht die bepalen hoe ze met de bewoners willen omgaan. Daar komt het wel op neer hè. Te gek voor woorden. We leven hier toch niet in Rusland?

Er loopt ook nog een rechtszaak over mijn huis. Ze wilden mij dwingen om te vertrekken. Toen ben ik naar de rechter gestapt. Die mag bepalen wanneer ik moet vertrekken en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren.

We hebben hier een hele leuke speeltuin gehad. Het was een ontmoetingsplek voor de hele wijk, waar allerlei activiteiten werden georganiseerd. Op last van de gemeente moest die een jaar geleden sluiten. Dat was tegen de afspraken in, want de speeltuin zou zo lang mogelijk open blijven om de kinderen een veilige speelplaats te bieden, totdat de wijk zou zijn vernieuwd. Daar had de gemeente lak aan. Afspraken werden doodeenvoudig geschonden.

Alle vintage speeltoestellen waren herbruikbaar, maar die zijn zo de shredder in gegaan. Pure cultuur- en kapitaalvernietiging. Dat is echt verschrikkelijk. Die speeltoestellen waren eenvoudig tijdelijk te herplaatsen in de wijk. Na de nieuwbouw hadden we er een prachtige nieuwe speeltuin mee kunnen inrichten.

Bouwhistorisch gezien is mijn huis best bijzonder. Van deze dubbele woonhuizen stonden er vier in de wijk. Ze waren bestemd voor de grootste gezinnen. Dit huis is nu bijna 75 jaar oud. In tegenstelling tot de noodwoningen waar bijna de hele wijk uit bestond, is mijn huis is onderheid en van goede kwaliteit. Bouwtechnisch is het dik in orde en kan het nog vele jaren mee. Dertig jaar achterstallig onderhoud heb ik gedeeltelijk zelf kunnen oplossen.

Toen ik de speeltuinvereniging leidde, besteedde ik zo’n 30 uur per week aan vrijwilligerswerk, soms met uitschieters naar 60 uur, wanneer er meerdaagse festiviteiten werden georganiseerd. Een volledige baan naast mijn vaste baan. Nu steek ik per week zo’n 15 uur in vrijwilligerswerk voor de wijk. Dankbaar werk.

Ik heb veel zorgen en mijn onzekerheid duurt voort. Dat uit zich in allerlei lichamelijke klachten en ik slaap slecht. Toch blijf ik vol goede moed.

* De brochure ‘Laat je leven bloeien in Wielewaal’ staat als download (pdf) op deze website.

© Roland Huguenin april 2021, foto Joke Schot

Adrie (81): “Met opzet is achterstallig onderhoud ontstaan”

(Foto: Joke Schot)

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer het verhaal van Adrie uit Gerdesia-Midden.

“Vroeger woonden mijn vrouw en ik aan de Vlietlaan in zo’n ouderwets appartement: voor-tussen-achter zonder badkamer. In 1973 kregen we deze prachtig mooie, moderne woning met een schitterend uitzicht aangeboden. Toen ik dertig jaar geleden in de seniorenraad van de deelgemeente zat, stond toch in de wijkvisie van Kralingen-Crooswijk dat deze woningen gesloopt zouden gaan worden. Het verbaast me dat het oude plan nu exact gaat gebeuren. Dat was bij mij weggezakt. De brief over de sloop kwam voor mij dus plotseling. Ik schrok me rot ervan.” 

“Mijn vrouw en ik wilden al verhuizen voordat we door onze knieën zakken. We zijn zo oud dat wat hier gaat komen voor ons geen optie is. Om een woning naar onze wensen te kunnen vinden als wij eraan toe zijn, hebben we al tientallen jaren een woonpas. Nu heeft Woonstad bepaald wanneer we hier weg moeten. Ik hoop op een woning met vrij zicht zoals ik altijd heb gehad. 

“Toen we de brief kregen, dacht ik: ‘Verdomme, hier gaat toch niet hetzelfde gebeuren als in de Fazantstraat en de Tweebosbuurt?!’ Ik heb meteen een stukje op Facebook gezet met de vraag wie ons komt helpen. Daar kwamen Menno en Wijnand op af. Zij organiseerden ook het verzet in de Tweebosbuurt. Ik wist bij God niet wat voor stappen te zetten, maar zij wel. We moeten altijd gebruik maken van steun.” 

“Woonstad overdondert de bewoners met mooie folders en heeft volop faciliteiten. Die hebben wij totaal niet. Wij als bewonersgroep vergaderen om de veertien dagen. Dan staan we buiten in de tuin. COVID werkt ons ontzettend tegen. Wij zijn geremd in ons verweer tegen de corporatie die alles mooier doet voorkomen dan het is. Volgens Woonstad mag iedereen terugkomen. Maar de mensen kunnen helemaal niet terugkomen, want ze voldoen niet aan de inkomenseis.” 

“We gaan het niet redden. Die sloop gaat gebeuren. Ik denk niet dat het de mensen hier veel uitmaakt waar ze wonen, maar ik maak af wat ik ben begonnen. Ik heb mijn leven lang volgehouden wat mijn vader altijd zei: ‘Je moet jezelf niet naar de slachtbank laten leiden!’ Mensen hebben nog een groot probleem. Waar moet bijvoorbeeld de buurman met zijn vrouw en vier kinderen heen als een betaalbaar vijfkamerappartement niet te vinden is? Ook de manier waarop Woonstad handelt, moet in het algemeen anders. Er had veel eerder met ons gecommuniceerd moeten worden. We hebben inzage in de plannen verzocht, maar die nog steeds niet gekregen. Met opzet is achterstallig onderhoud ontstaan. Als Woonstad de boel normaal had onderhouden, was dit alles niet nodig geweest.” 

Grarda: “Je laat wel een heel leven achter”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Grarda (81) uit de Tweebosbuurt.

De afgelopen drie jaren kostten mij tien jaar van mijn leven. De kilo’s vlogen eraf. Daar hoefde ik niets voor te doen. Als je 10 jaar geleden had gezegd dat ik dit nu allemaal zou gaan meemaken, had ik gevraagd of je wel goed wijs bent. Maar ja. Het zij zo.

Op donderdag 28 januari zou er bij het gerechtshof in Den Haag een regiezitting zijn over de bemiddeling tussen Tweebos-bewoners en woningcorporatie Vestia. Die ging niet door vanwege de sneeuw. De zaterdag ervoor ontving ik een brief van de advocaat van Vestia, waarin stond dat ik een woningaanbod had geweigerd. Een valse beschuldiging, want er was mij geen woning aangeboden. Ik was zo nijdig dat ik er duizelig van werd en achterover op de vloer klapte.

Als die vent voor mij had gestaan zou ik niet weten of ik mezelf had kunnen inhouden. In die brief staan toch gewoon leugens! Achteraf hoorde ik dat hij een goede beurt had willen maken door voor te spiegelen dat ik het aanbod had geweigerd. Daar rekende hij op. Hij wist al dat er op 17 februari een woning zou vrijkomen in ‘Het Klooster’. Dat had Vestia nog niet met mij gedeeld.

Door de val is er een rugwervel verschoven en beschadigd. Dat kan niet worden hersteld, dus ik lever heel veel in. Ik heb altijd veel aan sport en beweging gedaan: turnen, fietsen, zwemmen, wandelen. Nu zit ik op ‘ouderen in beweging’, maar dat ligt al een jaar stil wegens corona. Zoals mijn gezondheid nu is, zal ik daar wel nooit meer aan mee kunnen doen.

In 1939 werd ik geboren op Hilledijk 197. Ik ben de jongste van een gezin met zes kinderen. Toen ik zes was zijn we naar dit pand verhuisd. Wij woonden eerst een jaar beneden. Daarna schoven we door naar dit huis. Ik ben hier dus altijd blijven wonen.

In de naoorlogse jaren was het vinden van woonruimte lange tijd net zo beroerd als nu. Je kon nog geen kamer krijgen. We bleven allemaal inwonen. Dat was toen heel gewoon. Mijn ouders waren inschikkelijk en wij stelden weinig eisen. In 1958 ben ik als laatste getrouwd. Dat was van korte duur. Samen met Joop, mijn zoon, ben ik op de zolderetage blijven wonen. Ik had daar een eigen keuken.

Dit pand dateert van 1904. Oorspronkelijk waren dit chiquere huizen, bedoeld voor het hoge personeel van de spoorwegen. Daarna zaten hier korte tijd een huisarts en een verloskundige. Vervolgens kwam het pand beschikbaar voor gewone mensen. In de eerste periode huurden wij van een particuliere eigenaar. Op een dag kreeg mijn vader het aanbod om het hele huis voor 17.000 gulden te kopen. Mijn vader was in loondienst bij Verolme. Hij vroeg: “Ben je wel goed bij je hoofd? Een arbeider kan geen huis kopen.” Dat kwam niet bij je op in die tijd.

De jeugd van nu zit in dezelfde situatie. Ze krijgen geen hypotheek voor die veel te dure huizen. Ook tweeverdieners krijgen dat niet voor elkaar. Ze mogen wel huren voor 1.200 euro per maand of nog veel meer. Het is zo scheef als scheef maar kan zijn.

Ik heb 30 jaar op een camping in Voorthuizen gestaan. Dat was heerlijk. Ik zat daar in een zwem-, fiets- en wandelploeg. In 1998 moest ik daar weg omdat de standplaatsen werden verkocht aan de kampeerders. Ik kon geen 30.000 gulden betalen.

De verkiezingsuitslag is zo teleurstellend. Ik had verwacht dat de SP zou klimmen na het goede werk dat Leijten samen met Omtzigt heeft gedaan in de kindertoeslagaffaire. Samen achteruit. Hoe kan het! Maar ja, Rutte heeft zichzelf een jaar lang kunnen verkopen. Het is de vraag of hij met Kaag in zee wil, want die geeft goed weerwoord. En ik kan mij zo ergeren aan die Wilders en Baudet. Waarom lopen er zo veel mensen achter dat soort lui aan? Dat is je huid aan de vijand verkopen. En hoe kan het dat zo’n Eerdmans wint? Moeilijk. In Rotterdam zijn heel veel mensen onverschillig geworden.

Mijn vader was kraanmachinist, maar hij heeft ook jaren als pijpfitter gewerkt. Grof werk. Hij kon ook prachtig tekenen met Oost-Indische inkt. Hij was een spil in de wijk en nam het voortouw als voorzitter van de buurtvereniging en de speeltuinvereniging. We hadden altijd een huis vol mensen die hier kwamen vergaderen. Buurtgenoten kwamen ook vaak met allerlei sociale problemen bij hem aan. Als er iemand met opvoedingsproblemen aanklopte, dan ging hij met ouders of een kind praten, om samen naar een oplossing te zoeken. Al die sociale activiteiten heeft hij zeker tot zijn zestigste gedaan. Enkele jaren later, in 1963, is hij overleden. In die generatie werkten mensen zich dood.

De generatie van mijn ouders kreeg heel veel voor de kiezen. De avondklok van nu is echt niets bijzonders. Wat denk je van de oorlog? Mijn vader liep met ons langs de spoorbaan om stukjes steenkool te zoeken. Dan hadden we weer wat brandstof.

Mijn linnenkast is nu weer vol. Dat komt door mijn moeder. Na de oorlog had ze niets meer, want al het linnen had ze geruild bij de boeren. Die hebben de stadsmensen uitgekleed. In ruil voor aardappels of tarwe durfden ze alles van je te vragen. Neem maar een beddensprei mee, als je weer iets komt halen. Of ze vroegen doodleuk om de trouwringen. Zorg altijd dat de linnenkast goed vol is, was haar devies na de oorlog, want je weet nooit waar het goed voor is.

Toen de oorlog voorbij was, kon ik niet naar buiten want ik liep op blote voeten. Niemand had schoenen. Toen ik naar school ging was daar ook niets. Geen papier, pen, potlood of gum.

Pas in de jaren zestig kregen wij het als arbeiders weer wat beter. Toen kwamen hier in de buurt ook de eerste gastarbeiders wonen, afkomstig uit Portugal, Griekenland en Spanje. Later volgden mensen uit Turkije, Marokko, Suriname en Afrika. Ze werden allemaal te werk gesteld in de haven en bij de spoorwegen.

Mensen van buiten de stad zeggen tegen mij dat ik niet in Rotterdam woon. Die zien voornamelijk buitenlanders in deze buurt. Die mensen wonen hier al meer dan vijftig jaar. Ik ken de buurt niet anders.

Als kind kwam ik al in contact met de Chinezen die op zondag naar de wijk kwamen om pinda’s te verkopen. Die kwamen van Katendrecht. Dat was toen verboden gebied voor ons, veel te gevaarlijk. Nu staat het daar vol met dure huizen. En straks wordt de Rijnhaven volgebouwd met nog veel duurdere huizen. Die worden nooit verkocht denk je dan, maar ze worden verkocht als warme broodjes. Wie kan dat betalen? Er gaat vast veel drugsgeld in om. En als je 2 miljoen aan een huis kan besteden, ga je daar toch zeker niet zitten. Dan ga je naar de rand van de stad en kies je voor rust en ruimte.

De vader van mijn moeder kwam op voor de havenarbeiders. Hij was bij de SDAP. Ten tijde van verkiezingen ging hij met paard en wagen langs de kroegen om de arbeiders op te halen, zodat ze gingen stemmen. Daarbij liep hij longontsteking op. Zo is hij aan zijn einde gekomen. Mijn moeder was toen zeven jaar.

Op deze foto zie je mijn moeder als kindermeisje op het strand in Scheveningen. Zij kwam op 12-jarig leeftijd in dienst van een familie. Ze was daar intern. Er was pure armoede, dus dat was toen vrij normaal.

In mijn jeugd was de buurt heel anders. Iedereen hielp elkaar. Je ving elkaar op. Mijn moeder heeft in deze buurt heel wat kinderen op de wereld geholpen. Dan ging ze bakeren. Ook ’s nacht kwamen ze haar wel halen. Dan lag er een briefje op tafel: ik ben de verloskundige aan het helpen. Mijn moeder overleed in 1998.

De Tweebosbuurt heeft zogezegd een slechte naam. Vergeet dan even niet dat deze wijk stelselmatig is volgepropt met sociale probleemgevallen. Alles werd hier gedropt. Alleen al op dit stuk waren er al een flink aantal gevallen. Dat geeft niet, maar een wijk moet het wel aankunnen. Je kunt het niet maken om dan te zeggen dat de wijk achteruit gaat. Meisjes en vrouwen durfden hier ’s zomers amper langs te lopen als de halve straat vol zat met bierdrinkende drugscriminelen.

Toen de sloopplannen bekend werden gemaakt waren dat soort types er als de kippen bij, want die wilden wel een andere woning en een verhuiskostenvergoedingen op de koop toe. Vervolgens zei Vestia dat er genoeg mensen waren die wel direct wilden verhuizen. Ja, dat waren mensen zonder enige binding met de buurt. Vervolgens strijken ze neer in Bloemhof en Oud-Charlois en verplaatst het probleem zich. Dat snappen ze bij de gemeente toch zelf ook wel.

Hier blijft het niet bij. Ze gaan verschillende scholen slopen omdat er geen kinderen meer in de wijk zijn. Nee, als je de huizen sloopt heb je hier ook geen kinderen meer. De kinderen die in de nieuwbouw zijn komen wonen gaan echt niet naar zwarte scholen. Die gaan allemaal de brug over. Als je er voor kiest hier om hier te komen wonen, kun je er ook voor kiezen om jouw kinderen hier naar school te laten gaan, zodat er menging ontstaat.

We geven de strijd nog niet op, maar inmiddels is het nog maar een klein ploegje Tweebossers dat stand houdt. Er zijn nog 45 woningen bewoond. De meesten hebben zich onder druk laten zetten. Uit angst voor de sancties bij het weigeren van aanbod van een ander huis, zijn ze gezwicht.

Ik sta er dubbel in, want ik heb steeds gezegd dat ik niet weg wil, maar als ik moet, alleen genoegen neem met een huis in Het Klooster. Nu mijn conditie slechter is geworden moet ik wel, want ik kom de trap bijna niet meer op en moet achterstevoren naar beneden. Ik moet het overgeven. Mijn zoon heeft mij steeds gesteund in mijn strijd en mijn wens om hier te blijven wonen, maar nu vindt hij dat het niet lang meer gaat. Ik ben om. Ik laat een fatsoenlijk huis achter en wil dus ook een fatsoenlijk huis terug. Proper en intact. Vestia werkt daar wel goed in mee. Binnenkort ga ik voor het eerst kijken.

Gisteren zijn er bomen gekapt in de binnentuin van het bouwblok verderop. Op het stadhuis wordt gezegd dat het tijd word om de wijk plat te gooien en dat er te weinig groen is. Waar slaat dat op? Er is voldoende groen op het Afrikaanderplein, de binnentuinen en op de dijk.

Niemand begrijpt dat mijn huis wordt afgebroken. In Amsterdam zouden ze zo een half miljoen voor mijn woning neertellen. In deze buurt zijn verschillende leuke historische panden en nieuwbouw die dateert van 1983. Al vele jaren is er nauwelijks onderhoud gepleegd.

Er is van alles geprobeerd om de huizen te behouden en deze buurt te redden. Iedereen met verstand van zaken heeft hier rondgekeken. Mij is zo dikwijls gezegd dat mijn huis monumentaal is en dat ze de sociale samenhang in deze buurt moeten beschermen. Zo’n beetje alle kranten en tv-zenders heb ik in huis gehad. Van al die publiciteit hoef ik niets meer te verwachten. Al die aardige mensen gaven mij wel veel aandacht en afleiding.

Alle huizen vanaf de hoek Martinus Steijnstraat tot aan mijn huis worden binnenkort gesloopt. Studenten die tijdelijk in die huizen zaten, moesten voor 1 maart vertrekken. Naast mij zat ook een student. Hij had het huis net mooi opgeknapt omdat hij had begrepen dat hij twee jaar mocht blijven. Met tranen in zijn ogen kwam hij vertellen dat hij moest vertrekken.

In die koude periode, toen er sneeuw lag, werd het steenkoud in huis en raakte mijn waterleiding bevroren. Vestia ging beneden kijken. Toen bleek dat achter die stalen plaat waarmee het huis is dichtgemaakt, de voordeur wagenwijd openstond. Die staalplaat zit vol gaten. De sneeuw lag tot achter in de keuken. De kou had vrij spel. De loodgieter adviseerde mij om het water dag en nacht te laten lopen. De kraan heeft 9 dagen open gestaan.

Vorige week ontdekte ik dat hiernaast op de bovenste etage de deur en de ramen naar het balkon ook wagenwijd openstaan. Dat is toch niet te geloven. Ik stook me rot en betaal me helemaal blauw.

Jarenlang heb ik de kinderen van mijn Marokkaanse en Turkse buren geholpen met huiswerk en taalles. Die kinderen kwamen altijd bij mij over de vloer. Mijn huisarts wist dat en vroeg laatst of ik een jonge Turkse huisarts die in zijn maatschap is komen werken, wil helpen met conversatieles, zodat hij zijn visites beter kan doen. Hij is in Turkije geboren en opgeleid. Dat gaat heel goed. Hij komt samen met zijn Turkse vrouw, die ook beginnend arts is. Over gezelligheid en medisch toezicht heb ik dus niets te klagen.

Als meisje deed ik vaak boodschappen voor vrouw Vogelaar, een oude buurvrouw. Zij zat altijd lekker in het zonnetje voor haar huis. “Het is prima dat je het doet, maar je mag niets aannemen” zei mijn moeder dan altijd. Op een gegeven moment gaf ze mij een pakket mee. “Dat is voor jouw moeder” zei ze.  Wij kregen een mooie art deco bloempot die hier na al die jaren nog steeds in mijn woonkamer staat. “Die heb ik toch maar mooi verdiend” zei ik tegen mijn moeder.

“Je laat wel een heel leven achter.”

© Roland Huguenin maart 2021, foto Joke Schot

Pagina 2 van 3

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén