Het betere plan voor wonen in Rotterdam

Auteur: Roland Huguenin

Nel: “De afgelopen veertien jaar heb ik bij mijn vriendin in Hoogvliet gedoucht”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Nel (67) uit de Veldstraat.

© foto Joke Schot april 2021

Op 13 april berichtte AD dat de laatste bewoners uit de Veldstraat in verzet komen tegen de sloop van hun koophuizen. De huizen zijn oud, maar verkeren in goede staat. De uitkoopsom is niet toereikend om elders in de buurt een vergelijkbaar huis te kunnen kopen, terwijl deze bewoners keurig passen binnen het NPRZ-beleid dat stuurt op gemengde buurten die plaats bieden aan stijgers op de woningmarkt. Deze eigenaren gingen bij de Raad van State in beroep tegen het bestemmingsplan dat 14 huur- en koopwoningen in het sociale segment vervangt door 11 grotere woningen in de vrije sector middenhuur. De gemeente en woningcorporatie Havensteder willen niet dat er eigen bezit terugkeert op deze plek.

Recht op de stad nam poolshoogte in de Veldstraat en maakte kennis met Nel, die het grootste deel van haar leven in dit deel van de straat heeft gewoond, in een sociale huurwoning uit 1913, die tot op de laatste draad is versleten. Wie haar huis betreedt komt in een realiteit die ettelijke decennia achterloopt bij de hedendaagse normen. In bouwkundig opzicht balanceert het pand op de grens van bewoonbaarheid. Gezien door de bril van deze tijd, roept het associaties op met de vooroorlogse Zandstraat. Het verval wordt fraai gecamoufleerd door de decoratieve inrichting van het huis.

De sfeervolle achtertuin, ingeklemd tussen muren en schuttingen, is ingericht met een terras, borders en een gezellig zitje. De bodem is bedekt met een betonvloer, die in het verleden is aangelegd voor de opslag van een loodgieter. Een deel van de omgeving is zwaar verwaarloosd. Aangrenzende achtergevels zijn vervallen. De verzakking is duidelijk te zien. De bomen en struiken zijn al lange tijd niet meer onderhouden. Vooral duiven bevolken deze desolate arena.

Het is al 30 jaar bekend dat ze dit rijtje gaan slopen, want renoveren is allang geen doen meer. De boel is verzakt waardoor de muren zijn gescheurd en de ramen niet meer open kunnen. Havensteder zat in de maag met enkele particuliere eigenaren die hier willen blijven wonen. Daarom heeft het zo lang geduurd. De overige bewoners zijn allemaal weg.

Ik ben geboren in Bloemhof. Tot mijn 22-ste jaar woonde ik in de Eerste Balsemienstraat en de Egelantierstraat. Dat waren kleine huizen. Toen ik uit huis ging woonde ik een tijdje op kamers. Daarna kreeg ik een bovenwoning in Hillesluis, met twee huishoudens op een trap. Deze woning in de Veldstraat heb ik in 1983 gekregen via mijn hartsvriendin, die hier op de eerste etage woonde.

Toen ik hier kwam waren deze woningen in bezit van de Gemeentelijke Woningstichting. Havensteder nam het over en had al direct plannen om te gaan slopen, maar daar was geen geld voor. In al die jaren is er niets meer aan deze woning gedaan. Voor reparaties hadden ze geen geld over.

Twintig jaar geleden is mijn vriendin naar Hoogvliet verhuisd. Haar woning werd antikraak en daarna nog een tijdje ingezet voor begeleid wonen. Nu staat het al vijftien jaar leeg. De woning hiernaast was ook antikraak. Een tijdlang woonden er verpleegsters. Daarna een stel dat voortdurend slaande ruzie had. Die zijn er uitgezet. Daarnaast woont nu nog steeds iemand antikraak. Dan zijn er nog die koopwoningen en de rest staat leeg. Directe buren heb ik al jaren niet meer.

Drie jaar geleden is de dakkapel kapot gewaaid en ontstond er een enorme lekkage. In de gang stroomde het water langs de muren naar beneden en nam het een deel van het behang mee. Het ziet er niet uit. Het zeiltje dat door Havensteder op het dak werd geplaatst hielp niet. Daarna hebben mijn overburen de boel beter ingepakt.

De bovenwoningen kampen al heel lang met vochtproblemen. De achtergevels zijn poreus waardoor het vocht door de muren heen sloeg en er zich veel schimmel ging vormen. Om die reden zijn de meeste bewoners al zo’n twintig jaar geleden vertrokken. De tegelwand in mijn douche lekte waardoor de muur en de vloer eronder helemaal zijn weggerot. Het water liep zo de gang in. De afgelopen veertien jaar heb ik bij mijn vriendin in Hoogvliet gedoucht.

Vroeger was dit huis ‘voor-tussen-achter’ met een piepklein keukentje en woonde hier een gezin met 10 kinderen. Hoe konden die mensen zo leven. Later is het verbouwd tot twee kamers en werd de keuken uitgebouwd. De kamers zijn nog geen drie meter breed. In de slaapkamer kan ik mijn kont bijna niet keren. Ik heb hier altijd alleen gewoond. Als je hier met z’n tweeën zou zitten wist je niet meer waar je je spullen moest laten. Dit huis is ook te klein om veel visite te ontvangen.

Vroeger woonde ik hier plezierig, maar ook de buurt is achteruit gegaan. Als je ziet wat een zooitje er op de Strevelsweg zit. Vroeger was dat echt een nette buurt. Nu is het verpauperd. Behalve dat de stoep voor mijn deur dagelijks is bezaaid met afval, is er weinig overlast.

Een vroegere buurman kreeg een huurverlaging. Die heb ik toen ook aangevraagd, maar daar moest ik erg lang op wachten. Uiteindelijk  kreeg ik die korting veertien jaar geleden via de huurcommissie wel en werd mijn huur gehalveerd tot 100 euro.

Tien jaar geleden kwam Havensteder met het verhaal dat de sloop nu echt naderbij kwam. Er werd me een woning aangeboden in een ouderencomplex. Daar had ik helemaal geen zin in. Toen kreeg ik een urgentieverklaring, maar met de sociale uitkering die ik ontving, kon ik alleen reageren op woningen tot 590 euro. Onder dat bedrag kon ik niets vinden. Sinds vorig jaar ontvang ik AOW en kan ik tot 633 euro gaan, maar ook daar krijg je bijna geen woning voor.

Iedere dag bekijk ik het aanbod, maar dat is heel weinig en de meeste huren zijn te hoog. Ik heb dan wel een urgentie, maar ja… Hopelijk verandert dat als de corona voorbij is. Het is fijn dat ik een verhuisvergoeding ontvang. Daar heb ik op gewacht. Hopelijk vind ik een benedenwoning of een flat met een ruim balkon.

Ik vertrek hier vrijwillig en wil hier echt graag weg. Dit is een heel koud huis. Voor de winter hoop ik weg te zijn. Aan de kant van Poortugaal en Hoogvliet zitten al mijn vrienden en kennissen. Hopelijk vind ik een driekamerwoning, zodat ik een kamertje heb om kleding te maken. Mijn huis staat vol met spullen voor mijn nieuwe huis.

De huizen aan de overkant van de straat zijn twintig jaar geleden gesloopt. Dat terrein raakte overwoekerd met onkruid. Op een gegeven moment maakte Havensteder daar een tuin. Daar kon je in als het hek open was, maar dat hek was bijna nooit open en dat tuintje kon je alleen bereiken via een soort oerwoud.

Drie jaar geleden zijn er wat geveltuintjes aangelegd en op de ramen van leegstaande huizen zijn fotopanelen geplaatst om de boel hier nog een beetje leefbaar te laten lijken.

In vroeger jaren was dit een gezellig buurtje. Zomers zaten we allemaal buiten en speelden de kinderen met water. Nu ben ik nog de enige die buiten zit. In de zomer zit ik een groot deel van de dag in mijn achtertuin. Verder zie je geen mens. Het heeft te lang geduurd.

© Roland Huguenin april 2021

© foto Roland Huguenin april 2021

Jan: “We leven hier toch niet in Rusland?”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Jan (59) uit Wielewaal.

Toen mijn ouders noodgedwongen moesten stoppen met varen op de binnenvaart en voorgoed aan wal gingen, zijn ze met 11 kinderen in Wielewaal gaan wonen. De laatste twee kinderen zijn in dit huis geboren, waaronder ikzelf als de allerjongste.

Tuindorp Wielewaal was een geweldige wijk om in op te groeien. Er woonden heel veel kinderen. Vanaf het moment dat ik kon lopen speelde ik buiten. Mijn vader was jarenlang vrijwilliger bij de speeltuinvereniging naast ons huis. Daar was ik heel vaak te vinden. Voor de jeugd was er elke woensdag en zaterdag wel iets te doen in de wijk. Er werden allerlei wedstrijden georganiseerd zoals rolschaatsen, wielrennen en rolschaatsijshockey op het basketbalveldje.

Nadat mijn vader was overleden en al mijn broers en zussen het huis uit waren, ben ik bij mijn moeder blijven wonen. Er was genoeg ruimte. Toen zij kleiner ging wonen kon ik in dit huis blijven. Riene trok bij mij in en we kregen drie kinderen. De vader van Riene heeft een jaar bij ons ingewoond, inclusief een half jaar palliatieve zorg.
Mijn dochter is student geneeskunde. Omdat er geen betaalbare woonruimte beschikbaar is, woont zij noodgedwongen antikraak in Wielewaal. Ook mijn jongste zoon is op zoek naar een eigen plekje, maar met de huidige woningnood is dat niet gemakkelijk.

Na jarenlang te hebben gehuurd, kon ik dit huis kopen. Dat deed ik vanuit de gedachte dat ik hier oud zou gaan worden. Voor mij is het wrang dat er vijf jaar later plannen werden gemaakt voor een grootschalige herstructurering van deze wijk.

Er werden inspraaksessies voor de bewoners georganiseerd. Ik had er het volste vertrouwen in dat er naar onze wensen zou worden geluisterd. Wij kregen alle ruimte om onze ideeën te uiten, maar die werden niet opgepakt en kwamen nooit in de plannen terecht. Er werd meebewogen zonder dat er werd meegegaan.

Uiteindelijk kwam het afschuwelijke plan op tafel om de wijk te maken zoals Woonstad en de gemeente dat nu voor ogen staat. De wijk wordt volgepropt met huur- en koopwoningen in het midden- en hoge segment. Het sociale huur- en koopsegment speelt daarin nauwelijks een rol van betekenis. Dat vind ik zo laag.

Ik ben heel erg kwaad geworden. Vanuit die woede ben ik in verzet gekomen, met de vraag of het tij nog kon worden gekeerd. Samen met buurtgenoot Wil de Ben heb ik een eigen nieuwbouwplan bedacht. Daarbij hebben wij de hulp ingeroepen van adviseurs op het gebied van ontwerp, bouw, financiering en recht. De leden van dat expertteam zijn zich zeer betrokken gaan voelen bij de realisatie van ons eigen nieuwbouwplan, omdat zij weten dat het goed en vooruitstrevend is.

Het plan ligt al acht jaar op de plank. Het is uitvoerig beschreven in een bidbook. Recentelijk is er ook een prachtige brochure* gemaakt. Het interessante van ons plan is dat daar vernieuwende concepten als fabrieksmatige prefab-bouw en de zelfsturende wooncoöperatie als beheervorm in zijn doorgevoerd.

De gemeente en de corporatie willen er niet naar kijken. Het enige commentaar dat ons informeel ter ore kwam, is dat het plan onhaalbaar en te duur is. Inmiddels is bekend dat een corporatie in Zeeland een nieuwbouwplan uitrolt dat sterk op het onze lijkt.

Het gaat niet om haalbaarheid. Alles draait om winstmaximalisatie: hoe kun je snel heel veel geld verdienen. Gemeente, corporaties, ontwikkelaars en bouwers vormen een ondoordringbaar bastion. Zij bepalen alles. Terwijl de overheid coöperatieve woonvormen al jaren probeert te stimuleren.

Fabrieksmatige huizenbouw heeft enorm veel voordelen. Bouwbedrijven staan klaar om productiehallen operationeel te maken. Maak een pilotproject van Wielewaal en laat deze wijk een voorbeeld zijn voor heel Nederland. Dan kan het bouwproces heel snel gaan.

“Voorwaarde is natuurlijk wel dat je met elkaar in gesprek gaat en dat de ideeën van bewoners worden meegenomen in de afwegingen.”

Op dit moment is er een schijn-democratie. Bewoners worden buitengesloten. Er is nul inspraak. De gemeente en corporaties maken onderhands geheime afspraken met elkaar en kunnen doen wat ze willen. Leugens regeren. Als die vaak genoeg worden herhaald, kunnen ze doorgaan voor waarheid.

Hoe het met ons verder gaat hangt af van de rechtszaken die de Unie van en voor de Wielewaalers heeft aangespannen tegen de gemeente. Bij definitieve goedkeuring van het bestemmingsplan moet ik hier over anderhalf jaar weg zijn. Als er geen goedkeuring komt, moet iedereen weer aan tafel. Ik weet niet wat dan de vervolgstappen zijn. En dat weet niemand.

Daarnaast zijn wij in cassatie gegaan. Ook daarin moet er nog een uitspraak komen. Er ligt nu wel een onderzoeksrapport over de illegale verkoop van het grondgebied. Gezien de nieuwe woningwet van 2015 had de woningcorporatie de huizen moeten aanbieden aan de bewoners. Dat is niet gebeurd. Gesloopte of deels vernielde woningen kun je niet meer verkopen en dan sta je kennelijk in je recht om de grond voor heel veel geld te verkopen aan een projectontwikkelaar.

Onze advocaat zegt dat ze blijven proberen om onze rechten te verdoezelen. Het zijn de grote jongens met geld en macht die bepalen hoe ze met de bewoners willen omgaan. Daar komt het wel op neer hè. Te gek voor woorden. We leven hier toch niet in Rusland?

Er loopt ook nog een rechtszaak over mijn huis. Ze wilden mij dwingen om te vertrekken. Toen ben ik naar de rechter gestapt. Die mag bepalen wanneer ik moet vertrekken en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren.

We hebben hier een hele leuke speeltuin gehad. Het was een ontmoetingsplek voor de hele wijk, waar allerlei activiteiten werden georganiseerd. Op last van de gemeente moest die een jaar geleden sluiten. Dat was tegen de afspraken in, want de speeltuin zou zo lang mogelijk open blijven om de kinderen een veilige speelplaats te bieden, totdat de wijk zou zijn vernieuwd. Daar had de gemeente lak aan. Afspraken werden doodeenvoudig geschonden.

Alle vintage speeltoestellen waren herbruikbaar, maar die zijn zo de shredder in gegaan. Pure cultuur- en kapitaalvernietiging. Dat is echt verschrikkelijk. Die speeltoestellen waren eenvoudig tijdelijk te herplaatsen in de wijk. Na de nieuwbouw hadden we er een prachtige nieuwe speeltuin mee kunnen inrichten.

Bouwhistorisch gezien is mijn huis best bijzonder. Van deze dubbele woonhuizen stonden er vier in de wijk. Ze waren bestemd voor de grootste gezinnen. Dit huis is nu bijna 75 jaar oud. In tegenstelling tot de noodwoningen waar bijna de hele wijk uit bestond, is mijn huis is onderheid en van goede kwaliteit. Bouwtechnisch is het dik in orde en kan het nog vele jaren mee. Dertig jaar achterstallig onderhoud heb ik gedeeltelijk zelf kunnen oplossen.

Toen ik de speeltuinvereniging leidde, besteedde ik zo’n 30 uur per week aan vrijwilligerswerk, soms met uitschieters naar 60 uur, wanneer er meerdaagse festiviteiten werden georganiseerd. Een volledige baan naast mijn vaste baan. Nu steek ik per week zo’n 15 uur in vrijwilligerswerk voor de wijk. Dankbaar werk.

Ik heb veel zorgen en mijn onzekerheid duurt voort. Dat uit zich in allerlei lichamelijke klachten en ik slaap slecht. Toch blijf ik vol goede moed.

* De brochure ‘Laat je leven bloeien in Wielewaal’ staat als download (pdf) op deze website.

© Roland Huguenin april 2021, foto Joke Schot

“Het verbeelden van een mogelijke toekomst”

Twitter is een fruitboom vol veerkracht. Als je goed kijkt, kun je ideeën of inspiratie oogsten. Gisteren ontdekte ik een boekhouder met verbeeldingskracht:

Hilledijk (c) Twitteraccount RedVooroorlogsTweebos (@tweebos)

Het bijschrift heb ik direct geoogst:

Koester het verleden, behoud de kwaliteiten van de mooiste panden. Meng renovatie en vernieuwing. Ook Zuid verdient een levendige stadswijk!

Mijn reactie:

Ik dacht dat ik droomde, omdat ik zag wat ik al zo vaak had gezien via mijn geestesoog. Opeens leek het allemaal echt. Zou ik zo dadelijk ontwaken en merken dat mijn droom alweer vervaagde? Nee, ik zag wat ik zag. Iemand had mijn droom verbeeld.

De wereld waarin je leeft is een eindeloze erfenis. Die wereld heeft een verleden dat steeds langer duurt. Een erfenis die je meekrijgt bij geboorte. Op dat moment stap je in een oneindig verhaal. Naast jouw eigen leven, is dat verhaal het kostbaarste bezit.

Sloop is minachting van het verleden. Het verleden kan zichzelf niet verdedigen, net zo min als de toekomst dat kan. Jij kunt het verschil maken door te koesteren wat goed, mooi en kwetsbaar is. Herinneringen zijn kostbaar. De dag na die prachtige vakantie of de geboorte van een kind, wis je toch ook niet alle foto’s die je hebt gemaakt.

Ik moedig je aan om na te denken over wat je doet en welke gevolgen dat voor de toekomst heeft.

Met dank aan RedVooroorlogsTweebos

Hilledijk 183AB-185AB (c) Twitteraccount RedVooroorlogsTweebos (@tweebos)

Hilledijk 223AB-229AB (c) Twitteraccount RedVooroorlogsTweebos (@tweebos)

Grarda: “Je laat wel een heel leven achter”

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Grarda (81) uit de Tweebosbuurt.

De afgelopen drie jaren kostten mij tien jaar van mijn leven. De kilo’s vlogen eraf. Daar hoefde ik niets voor te doen. Als je 10 jaar geleden had gezegd dat ik dit nu allemaal zou gaan meemaken, had ik gevraagd of je wel goed wijs bent. Maar ja. Het zij zo.

Op donderdag 28 januari zou er bij het gerechtshof in Den Haag een regiezitting zijn over de bemiddeling tussen Tweebos-bewoners en woningcorporatie Vestia. Die ging niet door vanwege de sneeuw. De zaterdag ervoor ontving ik een brief van de advocaat van Vestia, waarin stond dat ik een woningaanbod had geweigerd. Een valse beschuldiging, want er was mij geen woning aangeboden. Ik was zo nijdig dat ik er duizelig van werd en achterover op de vloer klapte.

Als die vent voor mij had gestaan zou ik niet weten of ik mezelf had kunnen inhouden. In die brief staan toch gewoon leugens! Achteraf hoorde ik dat hij een goede beurt had willen maken door voor te spiegelen dat ik het aanbod had geweigerd. Daar rekende hij op. Hij wist al dat er op 17 februari een woning zou vrijkomen in ‘Het Klooster’. Dat had Vestia nog niet met mij gedeeld.

Door de val is er een rugwervel verschoven en beschadigd. Dat kan niet worden hersteld, dus ik lever heel veel in. Ik heb altijd veel aan sport en beweging gedaan: turnen, fietsen, zwemmen, wandelen. Nu zit ik op ‘ouderen in beweging’, maar dat ligt al een jaar stil wegens corona. Zoals mijn gezondheid nu is, zal ik daar wel nooit meer aan mee kunnen doen.

In 1939 werd ik geboren op Hilledijk 197. Ik ben de jongste van een gezin met zes kinderen. Toen ik zes was zijn we naar dit pand verhuisd. Wij woonden eerst een jaar beneden. Daarna schoven we door naar dit huis. Ik ben hier dus altijd blijven wonen.

In de naoorlogse jaren was het vinden van woonruimte lange tijd net zo beroerd als nu. Je kon nog geen kamer krijgen. We bleven allemaal inwonen. Dat was toen heel gewoon. Mijn ouders waren inschikkelijk en wij stelden weinig eisen. In 1958 ben ik als laatste getrouwd. Dat was van korte duur. Samen met Joop, mijn zoon, ben ik op de zolderetage blijven wonen. Ik had daar een eigen keuken.

Dit pand dateert van 1904. Oorspronkelijk waren dit chiquere huizen, bedoeld voor het hoge personeel van de spoorwegen. Daarna zaten hier korte tijd een huisarts en een verloskundige. Vervolgens kwam het pand beschikbaar voor gewone mensen. In de eerste periode huurden wij van een particuliere eigenaar. Op een dag kreeg mijn vader het aanbod om het hele huis voor 17.000 gulden te kopen. Mijn vader was in loondienst bij Verolme. Hij vroeg: “Ben je wel goed bij je hoofd? Een arbeider kan geen huis kopen.” Dat kwam niet bij je op in die tijd.

De jeugd van nu zit in dezelfde situatie. Ze krijgen geen hypotheek voor die veel te dure huizen. Ook tweeverdieners krijgen dat niet voor elkaar. Ze mogen wel huren voor 1.200 euro per maand of nog veel meer. Het is zo scheef als scheef maar kan zijn.

Ik heb 30 jaar op een camping in Voorthuizen gestaan. Dat was heerlijk. Ik zat daar in een zwem-, fiets- en wandelploeg. In 1998 moest ik daar weg omdat de standplaatsen werden verkocht aan de kampeerders. Ik kon geen 30.000 gulden betalen.

De verkiezingsuitslag is zo teleurstellend. Ik had verwacht dat de SP zou klimmen na het goede werk dat Leijten samen met Omtzigt heeft gedaan in de kindertoeslagaffaire. Samen achteruit. Hoe kan het! Maar ja, Rutte heeft zichzelf een jaar lang kunnen verkopen. Het is de vraag of hij met Kaag in zee wil, want die geeft goed weerwoord. En ik kan mij zo ergeren aan die Wilders en Baudet. Waarom lopen er zo veel mensen achter dat soort lui aan? Dat is je huid aan de vijand verkopen. En hoe kan het dat zo’n Eerdmans wint? Moeilijk. In Rotterdam zijn heel veel mensen onverschillig geworden.

Mijn vader was kraanmachinist, maar hij heeft ook jaren als pijpfitter gewerkt. Grof werk. Hij kon ook prachtig tekenen met Oost-Indische inkt. Hij was een spil in de wijk en nam het voortouw als voorzitter van de buurtvereniging en de speeltuinvereniging. We hadden altijd een huis vol mensen die hier kwamen vergaderen. Buurtgenoten kwamen ook vaak met allerlei sociale problemen bij hem aan. Als er iemand met opvoedingsproblemen aanklopte, dan ging hij met ouders of een kind praten, om samen naar een oplossing te zoeken. Al die sociale activiteiten heeft hij zeker tot zijn zestigste gedaan. Enkele jaren later, in 1963, is hij overleden. In die generatie werkten mensen zich dood.

De generatie van mijn ouders kreeg heel veel voor de kiezen. De avondklok van nu is echt niets bijzonders. Wat denk je van de oorlog? Mijn vader liep met ons langs de spoorbaan om stukjes steenkool te zoeken. Dan hadden we weer wat brandstof.

Mijn linnenkast is nu weer vol. Dat komt door mijn moeder. Na de oorlog had ze niets meer, want al het linnen had ze geruild bij de boeren. Die hebben de stadsmensen uitgekleed. In ruil voor aardappels of tarwe durfden ze alles van je te vragen. Neem maar een beddensprei mee, als je weer iets komt halen. Of ze vroegen doodleuk om de trouwringen. Zorg altijd dat de linnenkast goed vol is, was haar devies na de oorlog, want je weet nooit waar het goed voor is.

Toen de oorlog voorbij was, kon ik niet naar buiten want ik liep op blote voeten. Niemand had schoenen. Toen ik naar school ging was daar ook niets. Geen papier, pen, potlood of gum.

Pas in de jaren zestig kregen wij het als arbeiders weer wat beter. Toen kwamen hier in de buurt ook de eerste gastarbeiders wonen, afkomstig uit Portugal, Griekenland en Spanje. Later volgden mensen uit Turkije, Marokko, Suriname en Afrika. Ze werden allemaal te werk gesteld in de haven en bij de spoorwegen.

Mensen van buiten de stad zeggen tegen mij dat ik niet in Rotterdam woon. Die zien voornamelijk buitenlanders in deze buurt. Die mensen wonen hier al meer dan vijftig jaar. Ik ken de buurt niet anders.

Als kind kwam ik al in contact met de Chinezen die op zondag naar de wijk kwamen om pinda’s te verkopen. Die kwamen van Katendrecht. Dat was toen verboden gebied voor ons, veel te gevaarlijk. Nu staat het daar vol met dure huizen. En straks wordt de Rijnhaven volgebouwd met nog veel duurdere huizen. Die worden nooit verkocht denk je dan, maar ze worden verkocht als warme broodjes. Wie kan dat betalen? Er gaat vast veel drugsgeld in om. En als je 2 miljoen aan een huis kan besteden, ga je daar toch zeker niet zitten. Dan ga je naar de rand van de stad en kies je voor rust en ruimte.

De vader van mijn moeder kwam op voor de havenarbeiders. Hij was bij de SDAP. Ten tijde van verkiezingen ging hij met paard en wagen langs de kroegen om de arbeiders op te halen, zodat ze gingen stemmen. Daarbij liep hij longontsteking op. Zo is hij aan zijn einde gekomen. Mijn moeder was toen zeven jaar.

Op deze foto zie je mijn moeder als kindermeisje op het strand in Scheveningen. Zij kwam op 12-jarig leeftijd in dienst van een familie. Ze was daar intern. Er was pure armoede, dus dat was toen vrij normaal.

In mijn jeugd was de buurt heel anders. Iedereen hielp elkaar. Je ving elkaar op. Mijn moeder heeft in deze buurt heel wat kinderen op de wereld geholpen. Dan ging ze bakeren. Ook ’s nacht kwamen ze haar wel halen. Dan lag er een briefje op tafel: ik ben de verloskundige aan het helpen. Mijn moeder overleed in 1998.

De Tweebosbuurt heeft zogezegd een slechte naam. Vergeet dan even niet dat deze wijk stelselmatig is volgepropt met sociale probleemgevallen. Alles werd hier gedropt. Alleen al op dit stuk waren er al een flink aantal gevallen. Dat geeft niet, maar een wijk moet het wel aankunnen. Je kunt het niet maken om dan te zeggen dat de wijk achteruit gaat. Meisjes en vrouwen durfden hier ’s zomers amper langs te lopen als de halve straat vol zat met bierdrinkende drugscriminelen.

Toen de sloopplannen bekend werden gemaakt waren dat soort types er als de kippen bij, want die wilden wel een andere woning en een verhuiskostenvergoedingen op de koop toe. Vervolgens zei Vestia dat er genoeg mensen waren die wel direct wilden verhuizen. Ja, dat waren mensen zonder enige binding met de buurt. Vervolgens strijken ze neer in Bloemhof en Oud-Charlois en verplaatst het probleem zich. Dat snappen ze bij de gemeente toch zelf ook wel.

Hier blijft het niet bij. Ze gaan verschillende scholen slopen omdat er geen kinderen meer in de wijk zijn. Nee, als je de huizen sloopt heb je hier ook geen kinderen meer. De kinderen die in de nieuwbouw zijn komen wonen gaan echt niet naar zwarte scholen. Die gaan allemaal de brug over. Als je er voor kiest hier om hier te komen wonen, kun je er ook voor kiezen om jouw kinderen hier naar school te laten gaan, zodat er menging ontstaat.

We geven de strijd nog niet op, maar inmiddels is het nog maar een klein ploegje Tweebossers dat stand houdt. Er zijn nog 45 woningen bewoond. De meesten hebben zich onder druk laten zetten. Uit angst voor de sancties bij het weigeren van aanbod van een ander huis, zijn ze gezwicht.

Ik sta er dubbel in, want ik heb steeds gezegd dat ik niet weg wil, maar als ik moet, alleen genoegen neem met een huis in Het Klooster. Nu mijn conditie slechter is geworden moet ik wel, want ik kom de trap bijna niet meer op en moet achterstevoren naar beneden. Ik moet het overgeven. Mijn zoon heeft mij steeds gesteund in mijn strijd en mijn wens om hier te blijven wonen, maar nu vindt hij dat het niet lang meer gaat. Ik ben om. Ik laat een fatsoenlijk huis achter en wil dus ook een fatsoenlijk huis terug. Proper en intact. Vestia werkt daar wel goed in mee. Binnenkort ga ik voor het eerst kijken.

Gisteren zijn er bomen gekapt in de binnentuin van het bouwblok verderop. Op het stadhuis wordt gezegd dat het tijd word om de wijk plat te gooien en dat er te weinig groen is. Waar slaat dat op? Er is voldoende groen op het Afrikaanderplein, de binnentuinen en op de dijk.

Niemand begrijpt dat mijn huis wordt afgebroken. In Amsterdam zouden ze zo een half miljoen voor mijn woning neertellen. In deze buurt zijn verschillende leuke historische panden en nieuwbouw die dateert van 1983. Al vele jaren is er nauwelijks onderhoud gepleegd.

Er is van alles geprobeerd om de huizen te behouden en deze buurt te redden. Iedereen met verstand van zaken heeft hier rondgekeken. Mij is zo dikwijls gezegd dat mijn huis monumentaal is en dat ze de sociale samenhang in deze buurt moeten beschermen. Zo’n beetje alle kranten en tv-zenders heb ik in huis gehad. Van al die publiciteit hoef ik niets meer te verwachten. Al die aardige mensen gaven mij wel veel aandacht en afleiding.

Alle huizen vanaf de hoek Martinus Steijnstraat tot aan mijn huis worden binnenkort gesloopt. Studenten die tijdelijk in die huizen zaten, moesten voor 1 maart vertrekken. Naast mij zat ook een student. Hij had het huis net mooi opgeknapt omdat hij had begrepen dat hij twee jaar mocht blijven. Met tranen in zijn ogen kwam hij vertellen dat hij moest vertrekken.

In die koude periode, toen er sneeuw lag, werd het steenkoud in huis en raakte mijn waterleiding bevroren. Vestia ging beneden kijken. Toen bleek dat achter die stalen plaat waarmee het huis is dichtgemaakt, de voordeur wagenwijd openstond. Die staalplaat zit vol gaten. De sneeuw lag tot achter in de keuken. De kou had vrij spel. De loodgieter adviseerde mij om het water dag en nacht te laten lopen. De kraan heeft 9 dagen open gestaan.

Vorige week ontdekte ik dat hiernaast op de bovenste etage de deur en de ramen naar het balkon ook wagenwijd openstaan. Dat is toch niet te geloven. Ik stook me rot en betaal me helemaal blauw.

Jarenlang heb ik de kinderen van mijn Marokkaanse en Turkse buren geholpen met huiswerk en taalles. Die kinderen kwamen altijd bij mij over de vloer. Mijn huisarts wist dat en vroeg laatst of ik een jonge Turkse huisarts die in zijn maatschap is komen werken, wil helpen met conversatieles, zodat hij zijn visites beter kan doen. Hij is in Turkije geboren en opgeleid. Dat gaat heel goed. Hij komt samen met zijn Turkse vrouw, die ook beginnend arts is. Over gezelligheid en medisch toezicht heb ik dus niets te klagen.

Als meisje deed ik vaak boodschappen voor vrouw Vogelaar, een oude buurvrouw. Zij zat altijd lekker in het zonnetje voor haar huis. “Het is prima dat je het doet, maar je mag niets aannemen” zei mijn moeder dan altijd. Op een gegeven moment gaf ze mij een pakket mee. “Dat is voor jouw moeder” zei ze.  Wij kregen een mooie art deco bloempot die hier na al die jaren nog steeds in mijn woonkamer staat. “Die heb ik toch maar mooi verdiend” zei ik tegen mijn moeder.

“Je laat wel een heel leven achter.”

© Roland Huguenin maart 2021, foto Joke Schot

Ramona: “Er wordt gewoon voor jou beslist”

© foto Joke Schot maart 2021

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ interviewen we bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer het verhaal van Ramona uit Wielewaal.

Ik woon hier al heel wat jaartjes, en met veel plezier. In 2004 heb ik een woning in Wielewaal kunnen kopen. Het is een heel mooi stukje Rotterdam. Ik wil hier gewoon niet weg. Laten we dat voorop stellen.

De sociale cohesie die we hier hebben, verwacht ik nergens meer terug te vinden. Het gebeurt regelmatig dat we voor elkaar koken, of als iemand wat over heeft dan wordt er even rond gevraagd “heb je al eten voor vanavond of ga je nog eten?”

Wielewaal is nog zo’n wijk waar we elkaar gewoon gedag zeggen als je voorbij komt. Daarvoor hoef je geen bekende van elkaar te zijn.

We hebben hier ook nog wel een beetje het campinggevoel hè. Je kunt de kliko in je badjas buiten zetten, zonder raar te worden aangekeken. Je kunt gewoon jezelf zijn. Er wordt niet gekeken naar wat je verdient of dat soort dingen.

Wielewaal heeft een eigen plan, waarbij alle woningen opnieuw worden gebouwd volgens de huidige opzet. Als dat plan kan worden uitgevoerd, kan ik hier blijven wonen, want dan blijven de woningen betaalbaar.

Ik bezit een eigen huis en zit in een onzeker proces. Ik ben alleenstaand, dus voor mij wordt het heel erg moeilijk, als ik een dure woning zou moeten terugkopen. Waar zou ik heen moeten gaan? Ik kan dan niet in Rotterdam blijven wonen. Daar kom ik niet verder dan een tweekamerwoning in een appartementencomplex. Of moet ik op een camping gaan wonen, zodat ik weer een beetje het gevoel van vrijheid terugkrijg? Ik heb verschillende huisdieren en ik zou niet meer zonder mijn tuin kunnen.

Het is toch erg dat je zo uit je stad wordt verdreven, terwijl ik een goede baan heb. Ik werk 40 uur per week en verdien een modaal inkomen. Dan zou je toch verwachten te kunnen terugkeren in de wijk. Ik zou niet meer van mijn inkomen kunnen leven. Al mijn geld zou naar de woning gaan. Van die gedachte word ik absoluut niet gelukkig. Ik word er eigenlijk heel erg droevig van. Op die manier wil ik niet oud worden.

Als je ergens gaat wonen begint er een proces. Normaal gesproken wil je een woning helemaal naar je zin gaan maken. Na een paar jaar merk je dat er iets groeit. Ik zou graag een nieuwe vloer in mijn woning willen leggen, maar waarom zou ik dat nog gaan doen. Ik zou graag mijn tuin willen opknappen. Dat ga je toch zeker niet doen, in de wetenschap dat alles straks door grote machines in containers wordt geschept. Vanaf 2007 wordt mijn woonplezier verstoord. Onzekerheid beheerst mijn leven.

Als ik een gesprek heb gehad over de toekomt, merk ik dat wel aan het slapen. Wat moet ik straks? Dat is een zware last, die er al jaren is. Ik heb mijn baan in Rotterdam, dus ik wil in de buurt blijven wonen. Dat bemoeilijkt mijn situatie. Ook het feit dat er al een flink stuk van de wijk is afgebroken maakt het allemaal niet leuker. Vooruit kijken of plannen maken gaat niet en dat is frustrerend, zeker omdat het je door anderen wordt aangedaan.

Sinds ik hier woon is er nog nooit iemand van de politiek aan de deur gekomen met de vraag “goh Ramona, hoe zie jij jouw toekomst voor je, wat wil jij, waar kunnen we jou blij mee maken?” Maar daar gaat het niet om. Het draait alleen maar om euro’s. Er is nooit naar mijn mening gevraagd. Er wordt gewoon voor jou beslist. Wij worden hier straks uit elkaar gerukt en moeten maar zien hoe we het rooien. Dat is onmenselijk en frustrerend. Dat zou beter kunnen, lijkt mij.

Dit verhaal duurt natuurlijk al vele jaren. Mijn vrienden zijn inmiddels ook gehecht aan deze wijk. In de zomer is het hier heerlijk en dan worden er op straat, of lekker op het gras, regelmatig buurtfeestjes georganiseerd. Wat ik nu heb krijg ik nooit meer terug.

© Roland Huguenin maart 2021

Tiny: “Dit krijg ik nooit meer terug”

© foto Joke Schot maart 2021

In de serie ‘Wonen in blessuretijd – verhalen van Rotterdammers’ vertellen bewoners over hun persoonlijke wooncrisis. Deze keer Tiny (80) uit Patrimonium’s Hof.

In april word ik 81 jaar en heb ik mijn hele leven in Bloemhof gewoond. Ik ben geboren in de Narcissenstraat, waar ik 20 jaar heb gewoond. Daarna woonde ik 11 jaar in de Jasmijnstraat en vervolgens 25 jaar in de Dahliastraat. Daar moest ik uit omdat het werd afgebroken. Daar kwamen koopwoningen voor in de plaats.

Nu zit ik hier haast 26 jaar en krijg ik weer een schop onder mijn kont. De verhuiskostenvergoeding stelt niets voor. Er is 4000 euro op mijn rekening gestort en als ik overga krijg ik nog eens twee maanden huur terugbetaald, mits ik dit huis goed heb afgeleverd. Elk achtergebleven spijkertje in de muur kost je 1,50. Als je de keuken niet goed schoon achterlaat betaal je 150 euro. Als je de badkamer of de wc niet goed schoon achterlaat betaal je 150 euro. Vestia laat mij hele lijsten afwerken.

In december heb ik mijn nieuwe huis gekregen. Toen ik het contract kwam ondertekenen moest ik zomaar even 800 euro betalen. De huur is daar 619, warmtekosten 86. Met de service erbij kom ik op 800. Ik krijg huursubsidie voor dat nieuwe huis, maar per maand ga ik toch 80 euro meer verwonen. De service is er veel duurder. In januari, februari en maart heb ik dubbele huur betaald, inclusief gas en elektra.

Mijn kleindochter zou samen met mij dingen als behang en laminaat gaan uitzoeken. Toen kwam de Lockdown en kon er niets meer. Ik kan niet internetbankieren en kan dus nog geen bezem kopen, bij wijze van spreken.

Op 1 februari had ik de huur hier opgezegd, maar dat ging ik niet halen. Toen heb ik het verzet naar 1 maart. Op 24 februari is de nieuwe vloer pas gelegd. Ik kan best wel goed werken hoor, maar ik houd het niet meer zo lang meer vol, dus ik heb ik de opzegging naar 1 april verzet. Dan wil ik ook echt weg. Ik begin zo vermoeid te raken…

Je komt tamelijk laconiek over. Wat doet het met je?

Verschrikkelijk, ik kan wel janken af en toe. Ik wil niet weg, ik moet weg. Je kunt er niets aan doen. Het wordt hele dure huur als je terug wilt komen.

Mijn huis bestaat uit twee samengevoegde huisjes. Ik heb een lekkere grote tuin. Straks heb ik een balkonnetje. Een buurvrouw van hier woont straks twee etages onder mij. Met haar was ik altijd hecht. Niet dat we bij elkaar over de vloer kwamen, maar wel altijd een praatje en elkaar bijstaan als er wat was. Dat zal ik ontzettend missen. En zeker ook het fijne sfeertje, hier op het hof.

Mijn jongens speelden bij de struiken en de bomen in het plantsoen. Ze werden vaak weggestuurd. Ik deed dat ook, want we hebben hier wel overlast van jeugd gehad. Laatst werd ik aangesproken door een vriendelijke man, die vertelde dat hij ooit door mij werd weggestuurd. Was een leuk gesprek. Hij woont in Vreewijk en heeft nu zelf overlast van de jeugd. Wat doe je er aan, vroeg ik. Hij stuurt de hond er op af.

Die jongens zaten hier allemaal op het stoepje. Ik ging altijd met ze praten over school of over roken. Na een tijdje zei ik “we hebben genoeg gekletst en nou opgesodemieterd.” En dan gingen ze.

Of ik zei “gezellig jongens, ik kom er lekker bijzitten.” Dan waren  ze zo weg, hoefde je verder niks te zeggen.

Dit krijg ik nooit meer terug. Straks zit ik op de hoogste etage, met een enorm uitzicht over de hele wijk, maar ik kan de mensen niet meer voorbij zien komen.

© Roland Huguenin maart 2021

Pagina 2 van 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén